Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
23 juni 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake diefstal en medeplegen diefstal. De kern van het geschil is de geldigheid van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep. De verdachte had bij zijn politieverhoor een adres opgegeven dat als zijn feitelijke woon- of verblijfplaats gold, maar de dagvaarding werd niet op dat adres aangeboden.
De Hoge Raad overweegt dat wanneer een verdachte niet is ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) maar wel een bekende feitelijke woon- of verblijfplaats heeft, de dagvaarding op dat adres moet worden betekend. Uit de stukken blijkt dat de dagvaarding niet op het opgegeven adres is aangeboden, maar aan een medewerker van het openbaar ministerie, en dat een poging op een ander adres tevergeefs was.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat de dagvaarding geldig is betekend niet begrijpelijk is. Het feit dat een afschrift van de dagvaarding naar het opgegeven adres is verzonden, maakt de betekening niet geldig. Daarom wordt de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig verklaard en het arrest van het hof vernietigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig en vernietigt het arrest van het hof.