Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
23 juni 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch in een witwaszaak waarbij een geldbedrag van €57.660 was verstopt achter een lade van een keukenblok. De verdachte werd veroordeeld voor witwassen op grond van artikel 420bis lid 1 sub b Sr. Het hof oordeelde dat de verklaring van de verdachte onvoldoende concreet en aannemelijk was om de verdenking van witwassen te weerleggen.
In cassatie werden twee middelen ingediend. Het eerste middel betrof een bewijs- en motiveringsklacht, welke door de Hoge Raad niet ontvankelijk werd verklaard omdat beantwoording niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling. Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat het hof de stukken te laat had ingezonden.
De Hoge Raad achtte het tweede middel gegrond en constateerde dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van veertien maanden tot dertien maanden. Het arrest van het hof werd vernietigd voor zover het de strafduur betrof, en het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot dertien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.