Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:945

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
26/01215
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 457 lid 1 sub c Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek poging tot doodslag ex-vriendin met mes

De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin de aanvrager is veroordeeld tot 66 maanden gevangenisstraf voor poging tot doodslag op zijn ex-vriendin in juni 2016.

De aanvraag tot herziening baseert zich op een nieuwe verklaring van een getuige die stelt dat de verdachte op het moment van het misdrijf thuis lag te slapen, wat volgens de aanvrager een ernstig vermoeden van onschuld zou moeten wekken. De Hoge Raad beoordeelt deze verklaring in samenhang met eerdere verklaringen van de verdachte en een andere getuige die eveneens aangeven dat de verdachte thuis was.

De Hoge Raad oordeelt dat de nieuwe verklaring onverenigbaar is met de gedetailleerde bewijsvoering van het hof, waaronder verklaringen van het slachtoffer, getuigenverklaringen, medische rapporten en opsporingsrapporten. De verklaring wekt geen ernstig vermoeden dat het onderzoek tot een andere uitkomst had geleid.

Daarom wordt de aanvraag tot herziening afgewezen. De veroordeling tot 66 maanden gevangenisstraf blijft in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af en bevestigt de veroordeling tot 66 maanden gevangenisstraf wegens poging tot doodslag.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer26/01215 H
Datum16 juni 2026
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 januari 2022, nummer 22-004665-19, ingediend door de advocaat B. Wernik,
namens
[aanvrager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de aanvrager.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het hof heeft de aanvrager voor poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 66 maanden.

2.Eerdere herzieningsaanvraag

De aanvrager heeft eerder herziening gevraagd van de hierboven genoemde veroordeling. Die aanvraag is door de Hoge Raad bij arrest van 17 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:904 afgewezen.

3.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

4.Bewezenverklaring en bewijsvoering

4.1
Ten laste van de aanvrager is bewezenverklaard dat:
“hij omstreeks 30 juni 2016 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, haar van achteren is genaderd en bij haar keel heeft gegrepen/vastgepakt en haar vervolgens heeft gesneden met een mes, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
4.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 29 juni 2016 met nr. PL1500-2016181060-1. Dit proces‑verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 63 tot en met 65):
als de op 29 juni 2016 afgelegde verklaring van [slachtoffer] :
Aangekomen op de [a-straat] te [plaats] , parkeerde ik mijn auto voor mijn woning. Ik had [getuige 2] aan de telefoon. Ik liep de hal van de flat binnen. Ik hoorde ineens voetstappen achter mij en draaide mij om, om te kijken wie er achter mij liep. Het is 04.00 - 04.15 uur. Ik zag dat [aanvrager] achter mij stond. [aanvrager] betreft mijn ex-vriend.
Ik zag op een afstand van zo’n 3 a 4 meter [aanvrager] op mij af komen lopen. Ik zag dat [aanvrager] in zijn rechterhand een mes beethield. Ik denk dat de lemmet van het mes ongeveer 15 a 20 cm betrof. Ik zag dat hij met dit mes naar mij toe kwam lopen. Op dat moment had ik nog steeds [getuige 2] aan de telefoon. Ik zag en voelde dat [aanvrager] mij bij mijn hoofd/keel pakte. Doordat hij mij zo beetpakte, liet ik mijn mobiele telefoon uit mijn handen vallen. Ik zag dat de mobiele telefoon op de grond viel, maar hoorde dat de verbinding nog openstond, daar ik [getuige 2] hoorde schreeuwen door de telefoon. Hij hield mijn hoofd beet in een soort wurggreep tussen zijn armen. Ik was zo bang, dat ik de kraag van mijn jas omhoog probeerde te doen. Ik zag dat hij met zijn andere hand, waar hij het mes in had, dicht bij mijn gezicht kwam. Ineens voelde ik het warm worden in mijn nek. Ik dacht op dat moment dat hij mij gesneden had en het warme wat ik voelde bloed was. Ik dacht dat hij mijn oor of keel doorgesneden had. Ik voelde in de directe omgeving, vanwaar ik de warmte en het brandende gevoel voelde en zag vervolgens dat ik bloed aan mijn handen had en dat dit op mijn kleding druppelde.
Ik riep keihard in de richting van mijn mobiele telefoon, dat [getuige 2] de politie moest bellen. Ik riep tegen [getuige 2] dat [aanvrager] mij ging vermoorden. Ik zag dat [aanvrager] mij losliet en hierop naar buiten wegrende. Ik zag dat hij in een grijze grote auto stapte. Het betreft niet zijn auto.
Door dit incident is mijn gewatteerde jas beschadigd geraakt en heeft hij kennelijk meerdere sneden toegebracht. Ik ben voor mijn opgelopen letsel naar het ziekenhuis geweest. Aldaar hebben zij mijn rechteroor gehecht. In dat oor zat een flinke snee.
2. Een proces-verbaal verhoor van getuigen rechter-commissaris van 13 september 2016, rc-nummer 16/2703. Dit proces-verbaal houdt als verklaring van [slachtoffer] onder meer in:
Hij kwam op mij af. Ik zag het mes. Hij zei tegen mij: ik snij je keel door.
3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2016 met nr. PL1500-2016181060-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 49 en 50):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 29 juni 2016 om 04:40 uur kregen wij melding te gaan naar de [a-straat] te [plaats] . Wij kwamen ter plaatse en zagen de meldster bij de flat staan. Wij zagen dat er bloed aan de rechterkant van het hoofd van de vrouw stroomde. Haar hand zat onder het bloed. Wij zagen dat haar telefoon onder het bloed zat. Wij zagen dat de vrouw een jas aan had waar allemaal pluisjes uit kwamen. Wij zagen dat aan de achterkant van haar kraag, aan de kant van haar rug, een lange snee over de kraag was. Ik, verbalisant, hoorde haar zeggen dat dat van het mes kwam. De vrouw was duidelijk ontdaan van wat er gebeurd was. Ik hoorde de vrouw zeggen: “Ik ben mijn flat binnen gelopen. Ik werd plotseling van achteren aangevallen. Ik herkende de man als zijnde mijn ex.” Ik vroeg haar hoe haar ex heette. Ik hoorde haar zeggen: [aanvrager] . Ik hoorde haar zeggen dat het mes die haar ex in haar hand had ongeveer 20 cm lang was.
4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 juni 2016 met nr. PL1500-2016181060-25. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 1 tot en met 4):
als de op 30 juni 2016 afgelegde verklaring van [getuige 2] :
Gisteren was [slachtoffer] aan de telefoon met mij in de auto naar [plaats] gegaan, ze liet weten dat zij ging parkeren en liep naar de deur, de deur ging open en toen begon zij ineens te schreeuwen. Ze schreeuwde: “Politie, politie, help, ik word vermoord.” Er was veel paniek, het duurde ongeveer 15 seconden en toen ging de telefoon uit.
5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2016 met nr. PL1500-2016181060-23. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 135 tot en met 137):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Verdachte verklaarde niet in het bezit te zijn van een rijbewijs. Ik hoorde de verdachte zeggen dat hij gebracht en gehaald wordt.
6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 juli 2016 met nr. 30. Dit proces-verbaal houdt onder meer – zakelijk weergegeven – (blz. 167 tot en met 177):
als de op 6 juli 2016 afgelegde verklaring van de verdachte:
Ik heb zelf geen auto.
7. Een proces-verbaal van kenteken personenauto [getuige 1] d.d. 17 april 2017 met nr. 43. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 321 en 322):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op maandag 10 april 2017 hoorde ik, verbalisant, [getuige 1] als getuige. Ten tijde van dit verhoor liet de getuige een foto van zijn personenauto zien. Ik zag dat deze personenauto een grijze BMW betrof.
8. Een proces-verbaal van telefonisch contact “ [getuige 3] ” d.d. 2 mei 2017 met nr. 45. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 330 en 331):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op donderdag 13 april 2017 verklaarde [slachtoffer] dat zij een telefoongesprek had gevoerd met [getuige 1] en dat “ [getuige 3] ” dit telefoongesprek had gehoord.
Op maandag 17 april 2017 nam ik telefonisch contact op met [getuige 3] . Ik hoorde [getuige 3] het volgende zeggen:
- Dat hij het telefoongesprek heeft gehoord wat [slachtoffer] met [getuige 1] heeft gevoerd,
- Dat hij hoorde dat [getuige 1] zei dat hij met een andere man in de auto had gezeten,
- Dat deze man uit de auto stapte,
- Dat [getuige 1] toen in de auto bleef wachten,
- Dat [getuige 1] zei dat hij niet wist wat de man ging doen,
- Dat die andere man vervolgens terug kwam,
- Dat [getuige 1] aan de man vroeg wat er gebeurd was,
- Dat de man zei dat hij een beetje had gevochten met [slachtoffer] en dat hij een mes had gebruikt.
Desgevraagd hoorde ik [getuige 3] zeggen dat de naam van de andere man [aanvrager] is. Ik hoorde dat [getuige 3] zei dat hij dit weet omdat hij al 28 jaar in de horeca werkt en een hoop mensen kent. Hierdoor weet hij wie [getuige 1] is.
9. Een proces-verbaal verhoor van getuigen, op 30 mei 2017 opgemaakt en ondertekend door [naam 2] , rechter commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag en diens griffier, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als de op de datum afgelegde verklaring van [getuige 3] :
[slachtoffer] werd toen gebeld. Op een gegeven moment riep ze mij bij zich. Ze vroeg of ik mee wilde luisteren. Ik heb het gesprek vervolgens meegeluisterd. Wat er is gezegd heeft zij laten herhalen, ik heb het dus twee keer gehoord. U vraagt mij of ik mij (kan – zo begrijpt het hof) herinneren dat ik vanwege dit gesprek ben opgebeld door een politieagente. Ja. Ik heb vervolgens verteld wat ik heb gehoord. Ik ken [getuige 1] . Ik weet dat zijn achternaam [getuige 1] is. U vraagt of ik wist met wie [slachtoffer] aan de telefoon was. Ja dat wist ik. Dat was [getuige 1] . U vraagt hoe ik wist dat [getuige 1] aan lijn was. Ik herken zijn stem.
10. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring d.d. 11 juli 2016, opgemaakt en ondertekend door [naam 1] , chirurg. Het houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 274):
Medische informatie betreffende:
Achternaam: [slachtoffer]
Voornaam: [...]
A. Uitwendig waargenomen letsel:
Wond oor
Kneuzing keel
Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 29 juni 2021 (de Hoge Raad begrijpt: 29 juni 2016)
11. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2016 met nr. PL1500-2016181060-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 68 tot en met 70):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Ik, verbalisant, heb naar aanleiding van de steekpartij foto’s gemaakt van het letsel van het slachtoffer (het hof begrijpt: [slachtoffer] ). Op de foto’s is te zien dat het slachtoffer geraakt is aan haar rechteroor en een flinke schram heeft in haar nek.
12. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 11 januari 2022 verklaard – zakelijk weergegeven –:
U, voorzitter, vraagt mij of ik een relatie heb gehad met [slachtoffer] die kort voor 28 juni 2016 ten einde is gekomen.
We hebben gesproken met elkaar en de relatie beëindigd. Vervolgens heb ik twee of drie weken niet gesproken met haar, omdat we uit elkaar waren. Voordat we uit elkaar gingen hebben we een verhouding gehad.
13. Een proces-verbaal van bevindingen melding incident d.d. 3 juli 2016 met nr. 24. Dit proces‑verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 157 en 158):
Op 29 juni 201 (de Hoge Raad begrijpt: 29 juni 2016) heeft [slachtoffer] gebeld naar de Politie Meldkamer met de volgende melding:
04:40:39 uur : A Aangevallen door ex vriend met mes
04:40:46 uur : A Op hoofd allemaal bloed
04:40:50 uur : A Ex is weggerend
04:41:49 uur : A Ex viel mw aan in trappenhuis
04:45:54 uur : P RTIC info: ex betreft [aanvrager] , geb [geboortedatum] 1977
04:45:56 uur : P Groot grijs vrt weggereden
04:46:03 uur : P weg met grote grijze auto
04:46:45 uur : P Slo inderdaad bebloed mogelijk gestoken
04:47:25 uur : P 15 minuten geleden gebeurd
04:47:34 uur : P Grijze BMW of Mercedes, grijze BMW of Mercedes
05:08:51 uur : P 2401 mes is 20 cm lang.”
4.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“De verklaring van de aangeefster vindt naar het oordeel van het hof voldoende steun in de overigens gebezigde bewijsmiddelen, zowel wat betreft de betrokkenheid van de verdachte alsook de toedracht van de gebeurtenissen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt onder meer dat de verdachte, die volgens zijn eigen verklaring tot twee weken voor het incident een affectieve relatie met het slachtoffer had, wel degelijk ter plaatse is geweest, en bij zijn aanval een snijdende beweging heeft gemaakt waarbij door de jas heen de nek alsook het oor van de aangeefster zijn geraakt, en waaruit de verwondingen zijn ontstaan zoals deze zijn weergegeven in de medische verklaringen. Mede in aanmerking genomen dat de verdachte daarbij heeft gezegd: “ik snij je keel door”, kan uit de bewijsmiddelen geen andere conclusie volgen dan dat de verdachte handelde met het opzet om de aangeefster van het leven te beroven.
Voorts leidt het hof uit de verklaring van [getuige 3] , die de hem bekende stem van [getuige 1] herkende in de stem van degene die met [slachtoffer] telefoneerde in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen af dat [getuige 1] heeft gezegd dat hij verdachte de bewuste nacht naar de flat van het slachtoffer heeft gebracht en hem daar weer heeft opgepikt. De omstandigheid dat in de door de politie geraadpleegde verkeersgegevens van de in aanmerking komende telefoons voor dit telefoongesprek geen bevestiging werd gevonden doet daaraan – gegeven de omstandigheid dat niet ieder medium met behulp waarvan telefoongesprekken kunnen worden gevoerd leidt tot registratie van verkeersgegevens – niet af.”

5.Beoordeling van de aanvraag

5.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
5.2
In de aanvraag wordt gesteld dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv. Daartoe wordt verwezen naar de bij de aanvraag overgelegde schriftelijke verklaring van [getuige 4] . Deze verklaring houdt – in de Nederlandse vertaling – in:
“Ik wil getuigen over de zaak die in 2016 tegen de verdachte [aanvrager] zou zijn gepleegd.
Mijn echtgenoot en ik woonden als huurders in het huis van [aanvrager] . In de 3e maand van 2016 werd mijn echtgenoot ziek en ging hij terug naar Bulgarije. Hij bleef 4 maanden in Bulgarije. In die maanden heeft [aanvrager] mij in alles geholpen. Als vrouw was ik onder de indruk van zijn eerlijkheid en menselijkheid. De avond van 28-06-2016 was voor mij een bijzondere dag. Hij had een speciaal cadeau voor mij gemaakt. Rond 21.30-22.00 uur waren we in een bar aan de [b-straat] . Daarna kwam er een vrouw die tegen [aanvrager] begon te schreeuwen van waarom heb je mijn huur niet betaald? Ze uitte zware bedreigingen en zei dat ze zijn leven zou ruïneren en hem kapot zou maken. Daarna nam een vriend van [aanvrager] ons mee, zodat er geen ruzie zou ontstaan, en zette ons af bij een bar dicht bij huis. We hebben daar ongeveer 2 uur gezeten en gingen rond 12.00-12.30 naar huis. Ik ging later naar binnen dan hij. [aanvrager] ging vóór mij naar binnen. Toen we thuis waren, hebben we samen zitten praten
We zaten daar ongeveer 2 uur. Rond 12.00 - 12.30 kwamen wij in het huis bij elkaar. Ik ging wat later naar binnen dan hij. [aanvrager] ging vóór mij naar binnen en toen we thuis bijeen waren begonnen we met z’n allen te praten. Onder deze omstandigheden is het onmogelijk dat [aanvrager] op de plaats van het incident was of het misdrijf had gepleegd. Om de een of andere reden stond ik iedere ochtend rond 4 uur op om naar mijn werk te gaan. [aanvrager] lag te slapen in zijn kamer, de deur stond open en er was een kat in huis.
In die periode kon ik deze informatie niet delen. Want de vrouw van [aanvrager] was de zus van mijn echtgenoot. Er was een familieband tussen onze families, en als onze relatie aan het licht was gekomen, zouden zowel mijn eigen huwelijk als de familierelaties ernstig beschadigd raken. Daarom zweeg ik.
Maar de gewetensnood die ik al die jaren heb gevoeld, laat me niet langer zwijgen.
Ik wil de waarheid verklaren en ervoor zorgen dat gerechtigheid haar plaats vindt.
Ik verklaar dat ik geloof dat [aanvrager] dit incident niet heeft gepleegd en onschuldig is.
Indien nodig ben ik bereid om mondeling getuigenis af te leggen bij uw rechtbank.”
5.3
Deze verklaring wekt niet een ernstig vermoeden als bedoeld in artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv. Daarbij is ten eerste van belang dat zich in het dossier waarover het hof beschikte al verklaringen bevonden van de aanvrager en van de getuige [getuige 5] die, kort gezegd, inhouden dat de aanvrager ten tijde van het bewezenverklaarde thuis lag te slapen met zijn vriendin [getuige 5] . De onder 5.2 weergegeven verklaring van [getuige 5] is onverenigbaar met die verklaringen van de aanvrager en van de getuige [getuige 5] . Verder is van belang dat die – globale – verklaring van [getuige 5] , tegenover de gedetailleerde, onder 4.2 en 4.3 weergegeven bewijsvoering van het hof, van onvoldoende gewicht is om te kunnen gelden als een gegeven in de zin van artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv.
5.4
De aanvraag is, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond.

6.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer T. Kooijmans als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 juni 2026.