Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
16 juni 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor diefstal van een motorfiets door middel van verbreking, zoals bedoeld in art. 311 lid 1 sub Pro 5 Sr.
De verdachte stelde in cassatie onder meer een bewijsklacht in tegen het oordeel van het hof dat de diefstal door middel van verbreking was gepleegd. De advocaat-generaal concludeerde dat het hof onvoldoende gemotiveerd had dat sprake was van verbreking, omdat de bewijsmiddelen slechts aantoonden dat het stuurslot van de motorfiets was ingeschakeld voordat deze werd weggenomen en dat de motor later in het busje van de verdachte werd aangetroffen.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel slaagt omdat het hof niet met verwijzing naar wettig en overtuigend bewijs heeft vastgesteld dat het stuurslot van de motorfiets is geforceerd. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe berechting en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende bewijs van verbreking.