Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:910

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
25/01537
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:658 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aansprakelijkheid werkgever voor RSI-klachten werknemer met aangeboren aandoening niet

In deze zaak stond de vraag centraal of EBN B.V. als werkgever aansprakelijk kon worden gehouden voor RSI-klachten van een werknemer die tevens een aangeboren aandoening heeft. De werknemer stelde dat de arbeidsomstandigheden hebben bijgedragen aan het ontstaan van de klachten, waardoor een causaal verband moest worden aangenomen.

De procedure begon bij de rechtbank Midden-Nederland met meerdere vonnissen tussen 2021 en 2023, waarna het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 21 januari 2025 een arrest wees. EBN stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering nader toe te lichten, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep werd verworpen en EBN werd veroordeeld in de kosten van het geding.

De uitspraak bevestigt dat de werkgever niet aansprakelijk is voor de RSI-klachten van de werknemer in de gegeven omstandigheden, waarbij het causale verband tussen de klachten en de arbeidsomstandigheden onvoldoende is vastgesteld. Hiermee blijft het arrest van het hof in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van EBN wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/01537
Datum12 juni 2026
ARREST
In de zaak van
EBN B.V.,
gevestigd te Utrecht,
EISERES tot cassatie,
hierna: EBN,
advocaat: J. den Hoed,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder],
advocaat: S.F. Sagel.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 8692477 UC EXPL 20-6102 MS/1270 van de rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2021, 1 september 2021, 22 december 2021 en 8 maart 2023;
b. het arrest in de zaak 200.329.278 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 januari 2025.
EBN heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [verweerder] mede door A.C. Baaijens.
EBN heeft een repliek ingediend van 36 pagina’s. De Hoge Raad heeft de repliek terzijde gelegd, nu deze niet is aan te merken als een beknopte reactie op de schriftelijke toelichting van [verweerder].
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van EBN heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt EBN in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 375,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien EBN deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op
12 juni 2026.