Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het oordeel van het hof dat de verdediging het ondervragingsrecht met betrekking tot [getuige] heeft prijsgegeven en dat de verklaring van [getuige] daarom zonder meer voor het bewijs kan worden gebruikt, is niet begrijpelijk. In wat de verdediging – mede naar aanleiding van de informatie uit de doktersverklaring over het lijden van [getuige] aan dementie sinds 2022 en de daarmee verband houdende moeilijkheden bij het beantwoorden van vragen – in haar bericht aan de raadsheer-commissaris en op de terechtzitting van 10 mei 2024 naar voren heeft gebracht over het verzoek tot het horen van [getuige] , komt immers tot uitdrukking dat de verdediging onder ogen ziet dat (het bieden van gelegenheid tot) het stellen van vragen aan [getuige] als getuige in praktische zin geen nut heeft gelet op de bij [getuige] gebleken geheugenproblemen. Daaruit volgt echter niet dat de verdediging geen aanspraak meer maakte op het uitoefenen van het ondervragingsrecht of, bij het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om het ondervragingsrecht uit te oefenen, op de beoordeling van de eerlijkheid van het proces als geheel. Gelet hierop kon het hof de verklaring van [getuige] niet voor het bewijs gebruiken, zonder ervan blijk te geven te hebben nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
9 juni 2026.