Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beslissing
6 januari 2026.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond centraal of verdachte, als hoeder van een gevaarlijke Mechelse herder, voldoende zorg had gedragen tijdens een vechtpartij op straat waarbij de hond een ander persoon meermalen in het lichaam en hoofd had gebeten. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelde dat verdachte niet de juiste maatregelen had getroffen om aan zijn zorgplicht te voldoen zoals bedoeld in artikel 425, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Daarnaast behandelde het hof een vordering van de benadeelde partij betreffende een deel van de materiële schade, namelijk de kosten voor het herstellen van tatoeages, en een deel van de immateriële schade in de vorm van smartengeld. Het hof vond dat deze vordering een onevenredige belasting van het strafproces vormde en wees deze af.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte en de benadeelde partij beoordeeld maar vond geen aanleiding tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveerde zijn oordeel niet, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het beroep werd door de Hoge Raad verworpen, waarmee het arrest van het hof ongewijzigd bleef. De uitspraak bevestigt de zorgplicht van de hoeder van een gevaarlijke hond en de grenzen van vorderingen van benadeelden in strafzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het hof dat verdachte onvoldoende zorg heeft gedragen voor de gevaarlijke hond.