Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de schriftuur en de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
9 juni 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor meermalige ontucht met een minderjarige. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had hem eerder veroordeeld. In cassatie werd door de advocaat van de verdachte een schriftuur ingediend waarin werd betoogd dat de aangifte onbetrouwbaar was vanwege een stoornis bij de aangeefster.
De advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring omdat de schriftuur niet voldeed aan de vereisten van een cassatiemiddel zoals bedoeld in de wet. De Hoge Raad toetst in cassatie immers alleen klachten die betrekking hebben op schending van rechtsregels of vormvoorschriften door de rechter.
De schriftuur bevatte geen stellige en duidelijke klachten over schending van rechtsregels of vormverzuimen. Bovendien was de schriftuur niet binnen de wettelijke termijn ingediend, waardoor het cassatieberoep niet ontvankelijk kon worden verklaard.
De Hoge Raad verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk en liet de bestreden uitspraak van het gerechtshof in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van geldige cassatiemiddelen binnen de wettelijke termijn.