Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:888

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
25/02102
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 245 Sr (oud)Art. 437 lid 2 SvArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken geldige cassatiemiddelen

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor meermalige ontucht met een minderjarige. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had hem eerder veroordeeld. In cassatie werd door de advocaat van de verdachte een schriftuur ingediend waarin werd betoogd dat de aangifte onbetrouwbaar was vanwege een stoornis bij de aangeefster.

De advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring omdat de schriftuur niet voldeed aan de vereisten van een cassatiemiddel zoals bedoeld in de wet. De Hoge Raad toetst in cassatie immers alleen klachten die betrekking hebben op schending van rechtsregels of vormvoorschriften door de rechter.

De schriftuur bevatte geen stellige en duidelijke klachten over schending van rechtsregels of vormverzuimen. Bovendien was de schriftuur niet binnen de wettelijke termijn ingediend, waardoor het cassatieberoep niet ontvankelijk kon worden verklaard.

De Hoge Raad verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk en liet de bestreden uitspraak van het gerechtshof in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van geldige cassatiemiddelen binnen de wettelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/02102
Datum9 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 mei 2025, nummer 21-005991-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H.C.L. Crozier een schriftuur ingediend.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.

2.Beoordeling van de schriftuur en de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Als een zodanig cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.
2.2
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Dat brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 juni 2026.