Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
30 juni 2026.
Hoge Raad
In deze strafzaak betrof het een diefstal met braak. Het gerechtshof Amsterdam verklaarde het hoger beroep van verdachte niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingesteld, namelijk niet binnen de wettelijke termijn van 14 dagen na het vonnis van de rechtbank. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat de beroepstermijn daadwerkelijk was aangevangen na het vonnis van de rechtbank. De stukken bevatten geen vaststellingen waaruit blijkt dat de termijn van 14 dagen was gestart. Hierdoor was het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd en kon het niet als juist worden beschouwd.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe berechting en beslissing. De conclusie van de advocaat-generaal ondersteunde dit oordeel, waardoor verdere bespreking van het cassatiemiddel achterwege bleef.
De uitspraak werd gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 30 juni 2026, waarbij de vice-president als voorzitter en twee raadsheren het arrest wezen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.