Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:869

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
23/04569
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.C OpiumwetArt. 2.B OpiumwetArt. 33a.1.a SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verbeurdverklaring geldbedragen wegens onvoldoende motivering

De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor het bezit en de verkoop van geringe hoeveelheden cocaïne en heroïne. Het hof had tevens twee geldbedragen verbeurd verklaard, stellende dat deze uit de drugshandel afkomstig waren.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van de verbeurdverklaring van de geldbedragen van €7,70 en €1.255,00 wegens onvoldoende motivering. De Hoge Raad volgt dit oordeel en stelt vast dat het hof niet heeft vastgesteld dat de geldbedragen afkomstig zijn van meerdere transacties, noch dat verdachte zich structureel met drugshandel bezighoudt. De enkele vaststelling van één verkoop van geringe hoeveelheden drugs rechtvaardigt de verbeurdverklaring niet zonder nadere motivering.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, maar verbindt daaraan geen verdere rechtsgevolgen gezien de korte gevangenisstraf. De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van het arrest dat de verbeurdverklaring betreft en wijst de zaak terug aan het hof voor hernieuwde beoordeling van de verbeurdverklaring. Het overige van het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de verbeurdverklaring van geldbedragen wegens onvoldoende motivering en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04569
Datum9 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 november 2023, nummer 20-000762-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.S. Nan bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de verbeurdverklaring van de geldbedragen van € 7,70 en € 1.255,00 en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep te worden afgedaan, en tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verbeurdverklaring van twee inbeslaggenomen geldbedragen van € 7,70 en € 1.255,00.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 11.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen geldbedragen van € 7,70 en € 1.255,00;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak wat betreft die inbeslaggenomen voorwerpen opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 juni 2026.