Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:868

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
25/04393
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet betaling griffierecht

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor betaling. Deze brief is afgeleverd op het opgegeven adres van belanghebbende.

Het griffierecht is echter niet betaald. De Hoge Raad heeft belanghebbende vervolgens in de gelegenheid gesteld om te reageren op het niet betalen van het griffierecht, maar de reactie kwam te laat binnen en is buiten beschouwing gelaten. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb wordt het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/04393
Datum5 juni 2026
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 30 oktober 2025, nr. BK-24/956 [1] .

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 9 januari 2026 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft op 10 februari 2026 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in dit digitale dossier is eveneens op 10 februari 2026 een kennisgeving verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 10 februari 2026.
Op 2 juni 2026 heeft de Hoge Raad via het webportaal een brief van belanghebbende ontvangen. Aangezien die brief na afloop van de hiervoor bedoelde termijn is ingediend, laat de Hoge Raad dit stuk buiten beschouwing.
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.