ECLI:NL:HR:2026:852
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen
Belanghebbende heeft in cassatie beroep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 juli 2024, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde. De zaak betreft navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2011 en 2012, aanslagen over 2013 en 2014, alsmede bijbehorende beschikkingen inzake heffingsrente en boetebeschikkingen.
De Hoge Raad heeft de ingediende klachten tegen het arrest van het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Ten aanzien van de proceskosten heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om een veroordeling op te leggen. Het arrest is gewezen door de raadsheren Faase, Cools en Peters en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.