Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd vrijgesproken van schuldwitwassen van een Volkswagen Polo die afkomstig was uit faillissementsfraude. Het hof oordeelde dat het enkel op naam zetten van de auto op verdachte niet automatisch betekent dat zij feitelijke beschikkingsmacht had, waardoor de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd was.
Desondanks handhaafde het hof de vrijspraak omdat ook was bewezen dat verdachte op verzoek van haar vader, die failliet was, de auto op haar naam had laten zetten om de rechthebbende te verhullen. Dit was voldoende om de bewezenverklaring te dragen. De Hoge Raad concludeerde dat het cassatiemiddel dat klaagde over de motivering van de bewezenverklaring niet tot cassatie leidt.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Omdat verdachte strafbaar was verklaard maar geen straf of maatregel was opgelegd, zag de Hoge Raad geen aanleiding tot een ander rechtsgevolg.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het hofarrest van 5 december 2023. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 20 januari 2026.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van schuldwitwassen van de auto en verwerpt het cassatieberoep.