Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 december 2023. De verdachte, geboren in 1994, was aangeklaagd voor schuldwitwassen van een Volkswagen Polo, die op haar naam was gesteld, maar afkomstig was uit faillissementsfraude. In eerste aanleg werd de verdachte vrijgesproken, maar het Openbaar Ministerie ging in cassatie. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens concludeerde tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad volgde deze conclusie. De Hoge Raad oordeelde dat de motivering van het hof onvoldoende was, maar dat dit de bewezenverklaring niet aantastte. De verdachte had de auto op verzoek van haar vader op haar naam laten zetten, waarmee zij verhulde wie de werkelijke rechthebbende was. De Hoge Raad constateerde ook dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar verbond hieraan geen rechtsgevolg. Uiteindelijk werd het beroep verworpen.