Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:778

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
26/00909
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46i WrraArt. 46j WrraArt. 46o WrraWet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag rechterlijk ambtenaar wegens langdurige arbeidsongeschiktheid

De Procureur-Generaal heeft bij de Hoge Raad een vordering ingediend tot ontslag van een vicepresident van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 46i, lid 1, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra).

De vordering werd ondersteund door diverse stukken, waaronder een Koninklijk Besluit van benoeming, een UWV-beslissing, een oordeel van de bedrijfsarts en een arbeidsdeskundig rapport. De betrokkene heeft haar zienswijze ingediend, maar was niet aanwezig bij het onderzoek in raadkamer.

De Hoge Raad stelde vast dat de arbeidsongeschiktheid onafgebroken twee jaar had geduurd, herstel binnen zes maanden niet te verwachten was, en duurzame reïntegratie niet mogelijk was binnen een redelijke termijn. Op basis hiervan werd het ontslag per 1 juni 2026 verleend.

Uitkomst: De Hoge Raad verleent ontslag aan de rechterlijk ambtenaar wegens langdurige arbeidsongeschiktheid per 1 juni 2026.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
VIERDE KAMER
Nummer26/00909
Datum22 mei 2026
ARREST
houdende de beslissing op een vordering, als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden van 16 maart 2026, tot ontslag als rechterlijk ambtenaar van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats],
hierna: de betrokkene.

1.De vordering van de Procureur-Generaal

De Procureur-Generaal heeft op 16 maart 2026 schriftelijk gevorderd dat de Hoge Raad de betrokkene op de voet van artikel 46i, lid 1, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (hierna: Wrra) zal ontslaan met ingang van 1 juni 2026.
Bij de vordering heeft de Procureur-Generaal de volgende stukken overgelegd:
i. Brief van mr. Bongers, president van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 21 januari 2026, houdende een verzoek tot het vorderen van het ontslag van de betrokkene, met vijf bijlagen:
1. het Koninklijk Besluit van benoeming van de betrokkene tot vicepresident van het gerechtshof Arnhem;
2. de beslissing ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) van 17 september 2025;
3. het oordeel van de bedrijfsarts over de situatie van de betrokkene van 13 oktober 2025;
4. een arbeidsdeskundig rapport over de betrokkene van 27 januari 2025;
5. een e-mail van de betrokkene van 1 december 2025 met haar zienswijze op het verzoek tot het vorderen van haar ontslag.
ii. Brief van de Procureur-Generaal van 5 februari 2026 aan de betrokkene.
iii. Brief van de betrokkene van 19 februari 2026 aan de Procureur-Generaal.

2.De raadkamer

2.1
Op 23 april 2026 heeft de Hoge Raad in raadkamer het onderzoek als bedoeld in artikel 46p, lid 1, Wrra ingesteld.
De betrokkene en de president van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zijn in kennis gesteld van de datum en het tijdstip van het onderzoek in raadkamer en zijn uitgenodigd bij dit onderzoek aanwezig te zijn.
Zowel de betrokkene als de president van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de waarnemend griffier van de Hoge Raad bericht niet bij het onderzoek aanwezig te zullen zijn.
2.2
De Procureur-Generaal heeft in raadkamer de vordering mondeling toegelicht.

3.Beoordeling

3.1
De betrokkene is in het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vicepresident, thans wettelijk aangeduid als senior raadsheer. Zij is dus een voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 46b Wrra.
3.2
Artikel 46i, lid 1, Wrra bepaalt dat de rechterlijk ambtenaar, wanneer hij wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, door de Hoge Raad kan worden ontslagen, indien:
a. de ongeschiktheid twee jaar onafgebroken heeft geduurd,
b. herstel van zijn ziekte binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar redelijkerwijs niet is te verwachten, en
c. naar het oordeel van de functionele autoriteit duurzame reïntegratie in de eigen arbeid, in andere passende arbeid bij een gerecht of binnen het gezagsbereik van de Minister van Justitie en Veiligheid, of in passende arbeid buiten dat gezagsbereik, niet binnen een redelijke termijn is te verwachten.
Artikel 46j Wrra bepaalt dat bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 46i, lid 1, Wrra de uitslag wordt betrokken van de beoordeling door het UWV.
3.3
Uit de door de Procureur-Generaal overgelegde stukken en het in raadkamer ingestelde onderzoek blijkt dat is voldaan aan de in artikel 46i, lid 1, aanhef en onder a, b en c, Wrra genoemde voorwaarden. De Hoge Raad is van oordeel dat voldoende gronden aanwezig zijn om de betrokkene op de voet van artikel 46i Wrra per 1 juni 2026 als rechterlijk ambtenaar ontslag te verlenen.

4.Beslissing

De Hoge Raad ontslaat [betrokkene] als rechterlijk ambtenaar per 1 juni 2026.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.A.G.M. Cools, G.C. Makkink en C.N. Dalebout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier C.E. Cornet, en in het openbaar uitgesproken op
22 mei 2026.