Uitspraak
1.De procedure
2.Beoordeling van het wrakingsverzoek
3.Beslissing
22 mei 2026.
Hoge Raad
Verzoeker heeft in een belastingzaak beroep in cassatie ingesteld en vervolgens een wrakingsverzoek ingediend tegen de drie leden van de Hoge Raad die de zaak behandelen. Het verzoek tot wraking werd ingediend kort voor de uitspraak en bevatte als grond dat verzoeker geen post van het ministerie van Financiën had ontvangen, waardoor de beroepsgang werd belemmerd.
De Hoge Raad beoordeelde het wrakingsverzoek aan de hand van de Awb, waarbij vereist is dat het verzoek gemotiveerd is en feiten of omstandigheden bevat die de onpartijdigheid van de rechters kunnen aantasten. Het verzoek voldeed niet aan deze eisen omdat het geen concrete feiten of omstandigheden bevatte die de onpartijdigheid van de rechters konden schaden.
Daarom werd het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting afgewezen als niet-ontvankelijk. De beslissing werd genomen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de leden van de Hoge Raad is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan motivatie.