Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
19 mei 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een klager die werkzaam is bij een kinderrechtenorganisatie in Engeland en zich beroept op een zelfstandig verschoningsrecht als directeur en legal expert. Het cassatieberoep richt zich tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland op een klaagschrift over beslag op gegevensdragers.
De kern van het geschil is of de klager tijdig schriftuur heeft ingediend binnen de wettelijke termijn van veertien dagen na aanzegging, zoals voorgeschreven in artikel 447 lid 5 jo Pro. 552d lid 3 Sv. De klager stelde dat hem een zelfstandig verschoningsrecht toekomt, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet het geval was.
De Hoge Raad overweegt dat de termijn van veertien dagen ook geldt indien de klager zich op een zelfstandig verschoningsrecht beroept, ook al is dat door de rechtbank verworpen. De aanzegging is op 27 november 2025 betekend, maar de schriftuur is pas op 19 december 2025 ingediend, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk en neemt het niet in behandeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van schriftuur.