Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
19 mei 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een strafzaak over PGB-fraude, medeplegen van valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. De verdachte stelde in hoger beroep dat een ander persoon papieren valselijk had opgemaakt, maar deze klacht werd door het hof niet beantwoord.
In cassatie onderzocht de Hoge Raad of deze klacht als middel kon worden aangemerkt. De Hoge Raad oordeelde dat alleen een stellige en duidelijke klacht over schending van een rechtsregel of vormvoorschrift als cassatiemiddel kan dienen. De klacht van de verdachte voldeed hier niet aan en bleef daarom onbesproken.
Daarnaast klaagde de verdachte over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Hoge Raad maakte gebruik van artikel 80a RO en verklaarde het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk. Hiermee werd het cassatieberoep afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een wettelijk middel en overschrijding van de redelijke termijn.