Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd vrijgesproken van witwassen van geldbedragen. Het hof oordeelde dat verdachte wist of willens en wetens aanvaardde dat het salaris dat hij ontving tussen december 2016 en maart 2017 afkomstig was uit beleggingsfraude. De verdediging voerde een bewijsklacht aan over de wetenschap van de criminele herkomst van het geld.
De Hoge Raad concludeert dat het cassatiemiddel niet leidt tot cassatie omdat het hof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd. Uit de bewijsvoering blijkt dat verdachte meer dan onvoorzichtig was en bewust de gevolgen van het onder zich nemen van crimineel geld aanvaardde. De Hoge Raad wijst het beroep af.
Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de lichte straf (voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en taakstraf van 72 uur) verbindt de Hoge Raad hieraan geen ander rechtsgevolg.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 20 januari 2026.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd ondanks overschrijding van de redelijke termijn.