Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 december 2023. De verdachte, geboren in 1960, was in cassatie gegaan na een vrijspraak in eerste aanleg voor witwassen van geldbedragen, zoals bedoeld in artikel 420bis.1.b van het Wetboek van Strafrecht. De kern van de zaak draaide om de vraag of de verdachte wist dat het salaris dat hij ontving van december 2016 tot en met maart 2017 afkomstig was van een misdrijf. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens concludeerde tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad volgde deze conclusie. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had vastgesteld dat de verdachte wist of op zijn minst willens en wetens een aanmerkelijke kans had aanvaard dat het geld dat hij ontving, afkomstig was uit beleggingsfraude. De Hoge Raad merkte op dat de verdachte meer dan enkel onvoorzichtig was geweest en dat zijn handelingen erop wezen dat hij bewust de gevolgen van het onder zich nemen van gelden afkomstig uit misdrijf op de koop toenam. De Hoge Raad verwerpt het beroep en constateert dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, maar verbindt hieraan geen rechtsgevolg. De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren, en is openbaar uitgesproken.