ECLI:NL:HR:2026:752

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
25/00467
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26.1 WWMArt. 77i SrArt. 88 SrArt. 287 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering jeugddetentie wegens overschrijding wettelijke maximumduur bij medeplichtigheid aan doodslag

De zaak betreft een destijds 15-jarige verdachte die werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan doodslag en medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het hof legde een jeugddetentie op van 365 dagen, waarvan 153 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De verdachte was ten tijde van het plegen van het misdrijf nog geen 16 jaar oud.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het vonnis, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde jeugddetentie, omdat deze de wettelijke maximumduur overschreed. De Hoge Raad oordeelde dat de maximale duur van jeugddetentie voor een minderjarige onder de 16 jaar twaalf maanden bedraagt, oftewel 360 dagen.

De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het vonnis dat de duur van de jeugddetentie betrof en verminderde deze tot 360 dagen, waarvan 148 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd de straf passend gemaakt binnen de wettelijke kaders voor jeugdige verdachten.

Uitkomst: De jeugddetentie is verminderd tot 360 dagen, waarvan 148 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/00467 J
Datum12 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 februari 2025, nummer 23-001510-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde jeugddetentie, tot vermindering daarvan zodat deze 360 dagen, waarvan 148 dagen voorwaardelijk beloopt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof een langere jeugddetentie heeft opgelegd dan wettelijk is toegestaan.
3.2
Het hof heeft de verdachte voor medeplichtigheid aan doodslag en medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie onder meer veroordeeld tot een jeugddetentie van 365 dagen, waarvan 153 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De strafmotivering houdt onder meer in:
“Gelet op de leeftijd van de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten, kan aan hem maximaal een jeugddetentie voor de duur van één jaar worden opgelegd. Hoewel bij minderjarigen geen vermindering van straf plaatsvindt als zij medeplichtig zijn, houdt het hof bij het bepalen van de straf wel rekening met de beperktere rol die de verdachte als medeplichtige bij het doodschieten van [slachtoffer] heeft gehad. Daarin ziet het hof aanleiding om een deel van de in beginsel passend geachte maximale jeugddetentie in voorwaardelijke vorm aan de verdachte op te leggen.”
3.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 77i lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“De duur van de jeugddetentie is:
a. voor degene die ten tijde van het begaan van het misdrijf de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt: ten minste een dag en ten hoogste twaalf maanden, en
b. overigens ten hoogste vierentwintig maanden.”
- Artikel 88 Sr Pro:
“Onder maand wordt verstaan een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.”
3.4
De verdachte had ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten de leeftijd van zestien jaren nog niet bereikt. Op grond van artikel 77i lid 1, aanhef en onder a, Sr was de duur van de jeugddetentie daarom ten hoogste twaalf maanden, dat wil zeggen – gelet op artikel 88 Sr Pro – 360 dagen.
3.5
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3.6
Gelet op de onder 3.2 weergegeven strafmotivering – waaruit volgt dat het hof de maximale jeugddetentie in deels voorwaardelijke vorm heeft willen opleggen – en wat in de conclusie van de advocaat-generaal onder 27 is vermeld over het voorarrest, zal de Hoge Raad de zaak zelf afdoen als hieronder vermeld.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde jeugddetentie;
- vermindert deze in die zin dat deze 360 dagen, waarvan 148 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 mei 2026.