Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
20 januari 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een strafzaak tegen de eigenaar en schipper van een tot charterschip omgebouwd zeilschip, die in 2021 en 2022 onvoldoende toezicht hield op de staat van de giek en de tuigage van het schip. Tijdens een zeiltocht met scholieren brak de giek en viel op het hoofd van een 12-jarig meisje, dat ter plekke overleed.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 maart 2025. De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld en geconstateerd dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Zonder een schriftelijk standpunt van de procureur-generaal en zonder verdere motivering heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, samen met raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, op 20 januari 2026. Het arrest bevestigt de veroordeling voor dood door schuld in de uitoefening van het beroep wegens nalatigheid in het toezicht op het schip.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de veroordeling voor dood door schuld in stand blijft.