Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd vrijgesproken van het opzettelijk vervoeren van bijna 12 kilogram heroïne. De vrijspraak volgde na bewijsuitsluiting vanwege een onrechtmatige doorzoeking van de auto van de verdachte. Het hof oordeelde dat de onrechtmatige doorzoeking een onwenselijke en niet gerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer vormde, maar dat dit niet leidde tot schending van het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, zodat strafvermindering volstond als compensatie.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte volstond met strafvermindering en dat bewijsuitsluiting noodzakelijk was. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd was. Daarnaast werd in cassatie geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 20 naar 19 maanden.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en verminderde deze, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen. Hiermee werd de vrijspraak gehandhaafd en werd de straf aangepast vanwege procedurele termijnoverschrijding.
Uitkomst: Vrijspraak wegens bewijsuitsluiting na onrechtmatige doorzoeking en vermindering gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding.