Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 juli 2023. De verdachte, geboren in 1978, was eerder onderworpen aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) waarvoor hij kosten had moeten betalen. De vraag die in deze cassatie aan de orde kwam, was of de oplegging van een geldboete van € 550 na de EMA een dubbele bestraffing vormde. De verdachte stelde dat het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk was in de vervolging omdat de kosten van de EMA hoger waren dan de daadwerkelijk gemaakte kosten. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geconcludeerd dat de klachten niet konden leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad heeft daarbij geen verdere motivering gegeven, aangezien het niet nodig was om vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Tevens heeft de Hoge Raad ambtshalve beoordeeld dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, was overschreden, maar heeft besloten dat hieraan geen ander rechtsgevolg verbonden werd. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep van de verdachte verworpen.