Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
6 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 1 augustus 2023. Het beroep in cassatie is ingesteld door de betrokkene, die werd bijgestaan door advocaat R.A.J. Verploegh. De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar enkel wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting. De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld en geconcludeerd dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. Dit oordeel is niet gemotiveerd, omdat het niet nodig was om vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De Hoge Raad heeft ambtshalve de uitspraak van het hof beoordeeld en vastgesteld dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, is overschreden. Dit heeft geleid tot een vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 80.028 naar € 76.028. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd, maar enkel wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, en het beroep voor het overige verworpen. Deze uitspraak is van belang voor de beoordeling van profijtontneming en de methoden van schatting van wederrechtelijk verkregen voordeel in het kader van gewoontewitwassen.