Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
21 april 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin hij werd veroordeeld voor bedreiging, zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Het hof had een verzoek tot het horen van een getuige à décharge afgewezen omdat het niet mogelijk was om de benodigde gegevens van de getuige te verkrijgen, waardoor het niet aannemelijk was dat binnen een aanvaardbare termijn alsnog een getuigenverhoor kon plaatsvinden. De Hoge Raad bevestigt deze afwijzing en oordeelt dat het hof terecht heeft gehandeld.
Daarnaast heeft de Hoge Raad overwogen of het hof het aangevoerde verweer als een beroep op noodweer had moeten opvatten. De Hoge Raad verwijst naar artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie en stelt dat het niet nodig is om op deze vraag in te gaan omdat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest.
De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, maar ziet geen aanleiding om aan deze termijnoverschrijding een ander rechtsgevolg te verbinden gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van tien dagen.
Uiteindelijk wordt het cassatieberoep verworpen en blijft het hofarrest in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van tien dagen blijft in stand.