Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
14 april 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van MDMA, amfetamine, cocaïne en heroïne onder de bijrijdersstoel van zijn auto, in strijd met artikel 2.C van de Opiumwet.
De verdediging voerde aan dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs, omdat niet kon worden uitgesloten dat een ander de drugs onopgemerkt had geplaatst. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof dit terecht had aangenomen gezien de plaats van de drugs en de omstandigheden van het geval.
Het cassatieberoep werd verworpen. De Hoge Raad constateerde tevens dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar verbond hieraan geen verdere rechtsgevolgen. De Hoge Raad vernietigde alleen het onderdeel van de taakstraf dat de hoogte betrof, maar verwierp het beroep verder.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, en bevestigt de rechtspraak omtrent het bewijs van opzet bij het aanwezig hebben van drugs in een voertuig.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor het opzettelijk aanwezig hebben van drugs.