Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:653

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
25/02308
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420quater.1.b SrArt. 457.1.c Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek schuldwitwassen wegens onvoldoende nieuw financieel bewijs

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de aanvrager is veroordeeld voor schuldwitwassen van een bedrag van € 7.550. De aanvrager stelde dat het hof hem zou hebben vrijgesproken indien het bekend was geweest met de uitkomsten van een financieel onderzoek naar een derde persoon, van wie de aanvrager het geld had ontvangen.

Het hof had het vermoeden van witwassen niet ontzenuwd geacht, omdat het onwaarschijnlijk was dat de derde persoon beschikte over het contante geldbedrag van € 10.000 uit legale bronnen zoals bedrijfsinkomsten of een schadevergoeding. De aanvraag tot herziening bevatte slechts algemene bewoordingen zonder concrete financiële onderbouwing van andere inkomstenbronnen.

De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek niet voldeed aan de strenge voorwaarden van artikel 457 lid 1 sub c Sv Pro, omdat het geen ernstig vermoeden wekte dat het onderzoek bij bekendheid van het nieuwe gegeven tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging zou hebben geleid. Daarom wees de Hoge Raad het verzoek tot herziening af.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens onvoldoende nieuw financieel bewijs om het vermoeden van schuldwitwassen te ontzenuwen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/02308 H
Datum14 april 2026
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 oktober 2023, nummer 20-000659-22, ingediend door de advocaat A. Çinar,
namens
[aanvrager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de aanvrager.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 14 maart 2022 – de aanvrager veroordeeld voor schuldwitwassen tot een taakstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.Beoordeling van de aanvraag

3.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2.1
De aanvraag berust op de stelling dat het hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken van schuldwitwassen als het bekend zou zijn geweest met de uitkomsten van het financiële onderzoek door de politie in het kader van een andere witwaszaak naar [betrokkene 1] , de persoon van wie de aanvrager het bij hem aangetroffen bewezenverklaarde geldbedrag van € 7.550 heeft ontvangen. Uit dat onderzoek volgt volgens de aanvraag dat [betrokkene 1] na het bewezenverklaarde feit (op of omstreeks 30 oktober 2020) over grote hoeveelheden contant geld kon beschikken die kunnen worden verklaard uit legale inkomsten.
3.2.2
Het hof is uitgegaan van een vermoeden van witwassen dat niet is ontzenuwd. Het hof achtte namelijk hoogst onwaarschijnlijk dat [betrokkene 1] , zoals zij heeft verklaard, ten tijde van het bewezenverklaarde feit op 30 oktober 2020 heeft kunnen beschikken over een contant geldbedrag van € 10.000 (het totale bedrag dat zij heeft overgedragen aan en dat is aangetroffen bij de aanvrager en de zoon van [betrokkene 1] ) dat afkomstig was uit de inkomsten van haar bedrijf ‘ [A] ’, dan wel uit de schadevergoeding die in 2018 aan haar partner is uitgekeerd na een verkeersongeval. De aanvraag wijst slechts in algemene bewoordingen en zonder concrete financiële onderbouwing op andere bronnen van inkomsten waaruit het door [betrokkene 1] aan de aanvrager overgedragen contante geldbedrag van € 7.550 mogelijk verklaard kan worden. Daarmee wekt de aanvraag niet een ernstig vermoeden als hiervoor onder 3.1 vermeld.
3.3
De aanvraag is, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond.

4.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 april 2026.