Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:652

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
25/02097
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis.1.b SrArt. 457.1.c SvArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag tot herziening wegens onvoldoende onderbouwing vermoeden witwassen

De Hoge Raad behandelt een aanvraag tot herziening van een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de aanvraagster is veroordeeld voor witwassen van € 10.000. De aanvraagster stelt dat het hof haar zou hebben vrijgesproken indien het bekend was geweest met uitkomsten van een financieel politieonderzoek in een andere witwaszaak.

Het hof had het vermoeden van witwassen niet ontzenuwd geacht, omdat het onwaarschijnlijk was dat de aanvraagster op het moment van het bewezenverklaarde feit over het contante bedrag beschikte uit legale bronnen zoals haar bedrijf of een schadevergoeding aan haar partner. De aanvraagster verwees slechts in algemene termen naar andere mogelijke inkomstenbronnen zonder concrete financiële onderbouwing.

De Hoge Raad oordeelt dat de aanvraag niet voldoet aan de vereisten van artikel 457 lid 1 sub c Sv Pro, omdat zij geen ernstig vermoeden wekt dat het onderzoek bij bekendheid van de nieuwe gegevens tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging zou hebben geleid. Daarom wordt de aanvraag tot herziening afgewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende onderbouwing van het vermoeden dat het hof anders zou hebben geoordeeld.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/02097 H
Datum14 april 2026
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 oktober 2023, nummer 20-000658-22, ingediend door de advocaat Th. Boumans,
namens
[aanvraagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de aanvraagster.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 14 maart 2022 – de aanvraagster veroordeeld voor witwassen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken en een taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.Beoordeling van de aanvraag

3.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2.1
In de aanvraag wordt aangevoerd dat het hof de aanvraagster zou hebben vrijgesproken van witwassen van een bedrag van € 10.000 als het bekend zou zijn geweest met de uitkomsten van het financiële onderzoek door de politie naar de aanvraagster in het kader van een andere witwaszaak. Uit dat onderzoek volgt volgens de aanvraag dat de aanvraagster na het bewezenverklaarde feit (op of omstreeks 30 oktober 2020) over grote hoeveelheden contant geld kon beschikken die kunnen worden verklaard uit legale inkomsten.
3.2.2
Het hof is uitgegaan van een vermoeden van witwassen dat niet is ontzenuwd, omdat het hof hoogst onwaarschijnlijk achtte dat de aanvraagster, zoals zij heeft verklaard, ten tijde van het bewezenverklaarde feit op 30 oktober 2020 heeft kunnen beschikken over een contant geldbedrag van € 10.000 dat afkomstig was uit de inkomsten van haar bedrijf ‘[A]’, dan wel uit de schadevergoeding die in 2018 aan haar partner is uitgekeerd na een verkeersongeval. De aanvraag wijst slechts in algemene bewoordingen en zonder concrete financiële onderbouwing op andere bronnen van inkomsten waaruit het bedrag van € 10.000 mogelijk verklaard kan worden. Daarmee wekt de aanvraag niet een ernstig vermoeden als hiervoor onder 3.1 vermeld.
3.3
De aanvraag is, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond.

4.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 april 2026.