Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op 9 januari 2026 op de verplichting tot betaling van griffierecht binnen vier weken. Deze brief werd volgens Track&Trace afgeleverd op het opgegeven adres.
Ondanks deze kennisgeving werd het griffierecht niet voldaan. Op 9 februari 2026 plaatste de griffier een bericht in het digitale dossier van belanghebbende met de vraag om opheldering over het niet betalen van het griffierecht. Tevens werd een kennisgeving van deze plaatsing verzonden naar het opgegeven e-mailadres van belanghebbende.
Belanghebbende maakte geen gebruik van deze gelegenheid om te reageren. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is op 10 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.