Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:590

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
24/04636
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbArt. 31 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeerde procespartij veroordeeld voor immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

Belanghebbende, een B.V., vorderde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in een bestuursrechtelijke procedure. De Rechtbank wees dit af, maar het Hof oordeelde dat de Inspecteur de overschrijding in de bezwaarfase veroorzaakte en veroordeelde hem tot vergoeding van € 500 en kosten.

De Hoge Raad stelt vast dat de Inspecteur de uitspraak op bezwaar reeds binnen zes maanden na het bezwaarschrift heeft gedaan, waardoor de overschrijding geheel aan de Rechtbank moet worden toegerekend. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het Hof voor zover de Inspecteur is veroordeeld en veroordeelt in plaats daarvan de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten.

De Hoge Raad veroordeelt de Staat tot vergoeding van € 500 immateriële schade, de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor Hof en Rechtbank, de griffierechten voor Rechtbank, Hof en cassatie, en de kosten van het cassatiegeding. Hiermee wordt de juiste procespartij aansprakelijk gesteld voor de overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase.

Uitkomst: De Hoge Raad veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/04636
Datum10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 28 november 2024, nr. BK-23/841 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (SGR 21/8167), betreffende een aan belanghebbende toegekende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.

1.Geding in cassatie

1.1
Het Hof heeft het bericht van belanghebbende waarbij zij het Hof verzoekt om rectificatie van de ten aanzien van haar gedane uitspraak van het Hof van 28 november 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2334, op de voet van artikel 6:15, lid 1, Awb doorgezonden naar de Hoge Raad. Aangezien belanghebbende in dat geschrift klaagt over de door het Hof gegeven beslissing met betrekking tot de aan haar toegekende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in het hoger beroep, heeft de Hoge Raad dit geschrift aangemerkt als een beroepschrift in cassatie. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
1.2
Zowel de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], als de Staat, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klacht

2.1
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 9 augustus 2023 het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens het overschrijden van de redelijke termijn van twee jaar die geldt voor de berechting van de zaak in eerste aanleg, afgewezen.
2.2
Voor het Hof was in geschil of de Rechtbank terecht heeft beslist dat belanghebbende geen recht heeft op een vergoeding van immateriële schade. Het Hof heeft het daartoe gedane verzoek van belanghebbende opnieuw beoordeeld, ervan uitgaande dat als regel heeft te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan zes maanden overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan achttien maanden in beslag neemt.
2.3
Het Hof heeft volgens zijn uitspraak vastgesteld dat het bezwaarschrift door de Inspecteur is ontvangen op 10 juni 2021, dat de Inspecteur op 9 november 2022 uitspraak op bezwaar heeft gedaan en dat de Rechtbank op 9 augustus 2023 uitspraak heeft gedaan.
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de overschrijding van de redelijke termijn voor de fase van eerste aanleg volledig is toe te rekenen aan de bezwaarfase. Daarom heeft het Hof de Inspecteur veroordeeld tot een vergoeding van immateriële schade, vastgesteld op € 500. Het Hof heeft het hoger beroep in zoverre gegrond verklaard. Het heeft verder de Inspecteur veroordeeld in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand die belanghebbende voor het beroep en het hoger beroep heeft gemaakt, en de Inspecteur opgedragen het door belanghebbende voor het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
2.4
De klacht is gericht tegen de hiervoor in 2.3 weergegeven oordelen van het Hof. Aangevoerd wordt dat de Inspecteur – anders dan het Hof heeft vastgesteld – de uitspraak op bezwaar al op 9 november 2021 heeft gedaan en dat het Hof de Inspecteur daarom ten onrechte heeft veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de fase van eerste aanleg. Die overschrijding van de redelijke termijn moet volgens de klacht geheel aan de Rechtbank worden toegerekend. Dat brengt mee dat het Hof de Staat had moeten veroordelen tot vergoeding van immateriële schade, de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand die belanghebbende voor het beroep en het hoger beroep heeft gemaakt, en de door belanghebbende betaalde griffierechten, aldus de klacht.
2.5.1
Vooropgesteld wordt dat het verzoek niet een kennelijke fout in de uitspraak van het Hof betreft die zich leent voor eenvoudig herstel (vergelijk artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Bij lezing van de uitspraak van het Hof is het voor partijen en derden niet direct duidelijk dat een fout is gemaakt en waaruit die fout bestaat. [2] Uit de tot de stukken van het geding behorende uitspraak op bezwaar blijkt dat de Inspecteur die uitspraak heeft gedaan op 9 november 2021. Dat betekent dat de Inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan binnen zes maanden na het indienen van het bezwaarschrift. Daarom moet de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg geheel worden toegerekend aan de Rechtbank. De klacht voert dus terecht aan dat het Hof niet de Inspecteur maar de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) had moeten veroordelen tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de fase van beroep.
2.5.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.5.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
De Staat zal worden veroordeeld tot een vergoeding van de immateriële schade van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de fase van beroep. Ook zal de Staat worden veroordeeld tot het vergoeden van de hiervoor in 2.3 bedoelde kosten.

3.Proceskosten

De Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof maar alleen voor zover de Inspecteur is veroordeeld tot een vergoeding van immateriële schade van € 500 en vergoeding van de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van in totaal € 875, en voor zover de Inspecteur is opgedragen de door belanghebbende bij de Rechtbank en het Hof betaalde griffierechten, in totaal € 908, te vergoeden,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de fase van beroep,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende van het geding voor het Hof, vastgesteld op € 437,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de kosten van het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 437,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 548 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 360,
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 559, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.868 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.

Voetnoten

2.Vgl. HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279, rechtsoverweging 5.3.2.