Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:584

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
24/03122
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 letter a Wet OBpunt 1 van Bijlage III van BTW-richtlijn 2006
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep cassatie inzake omzetbelasting magische truffels

Belanghebbende, een B.V., voerde in cassatie beroep tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 juli 2024, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake de door haar verschuldigde omzetbelasting over diverse tijdvakken verwierp.

De zaak betrof de vraag of magische truffels kwalificeren als levensmiddelen voor menselijke consumptie in de zin van art. 9, lid 2, letter a, Wet OB en de BTW-richtlijn, en daarmee onder een verlaagd tarief vallen. Belanghebbende stelde dat de truffels onder het verlaagde tarief vielen, terwijl de fiscus dit betwistte.

De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2026:450) waarin de gronden voor afwijzing van het cassatieberoep zijn uiteengezet. Op basis daarvan verklaart de Hoge Raad het beroep ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.

Het arrest bevestigt het rechtszekerheidsbeginsel en de uitleg van de omzetbelastingwetgeving met betrekking tot de classificatie van magische truffels als geen levensmiddelen voor menselijke consumptie.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de naheffing omzetbelasting op magische truffels bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03122
Datum10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 juli 2024, nrs. 22/1588 tot en met 22/1591 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 21/2055, BRE 21/2976, BRE 21/4002 en BRE 22/1989) betreffende de door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan omzetbelasting over de tijdvakken in de periode 1 juli 2020 tot en met 31 maart 2021 en over het tijdvak 1 juli 2021 tot en met 30 september 2021.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J.C. Perdaems, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door A.J.C. Perdaems, advocaat.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 23/03016, ECLI:NL:HR:2026:450.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.