Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door A.J.C. Perdaems, advocaat.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende, een B.V., had beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake de door haar verschuldigde omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2019. Het geschil betrof de vraag of magische truffels als levensmiddelen voor menselijke consumptie kunnen worden aangemerkt in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968 en de BTW-richtlijn 2006, en daarmee onder de vrijstelling van artikel 9, lid 2, letter a, Wet OB vallen.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van belanghebbende beoordeeld aan de hand van de motieven die zijn vermeld in een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2026:450). Op grond daarvan zijn de middelen van belanghebbende verworpen en is het beroep in cassatie ongegrond verklaard.
De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. Hiermee is de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden definitief en blijft de heffing van omzetbelasting over de levering van magische truffels in het onderhavige tijdvak gehandhaafd.
De uitspraak bevestigt het rechtszekerheidsbeginsel in de context van de omzetbelasting en de interpretatie van vrijstellingen voor levensmiddelen, waarbij magische truffels niet als zodanig worden erkend.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de heffing van omzetbelasting over magische truffels blijft gehandhaafd.