Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:580

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
24/01826
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 letter a Wet OBpost a.1 van Tabel I bij de Wet OBpunt 1 van Bijlage III van BTW-richtlijn 2006
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep cassatie inzake omzetbelasting magische truffels

Belanghebbende, een B.V., had beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake de door haar verschuldigde omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2019. Het geschil betrof de vraag of magische truffels als levensmiddelen voor menselijke consumptie kunnen worden aangemerkt in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968 en de BTW-richtlijn 2006, en daarmee onder de vrijstelling van artikel 9, lid 2, letter a, Wet OB vallen.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van belanghebbende beoordeeld aan de hand van de motieven die zijn vermeld in een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2026:450). Op grond daarvan zijn de middelen van belanghebbende verworpen en is het beroep in cassatie ongegrond verklaard.

De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. Hiermee is de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden definitief en blijft de heffing van omzetbelasting over de levering van magische truffels in het onderhavige tijdvak gehandhaafd.

De uitspraak bevestigt het rechtszekerheidsbeginsel in de context van de omzetbelasting en de interpretatie van vrijstellingen voor levensmiddelen, waarbij magische truffels niet als zodanig worden erkend.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de heffing van omzetbelasting over magische truffels blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/01826
Datum10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 april 2024, nr. BK-ARN 22/1694 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 20/3748) betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J.C. Perdaems, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door A.J.C. Perdaems, advocaat.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 24/03016, ECLI:NL:HR:2026:450.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.