Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:578

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
25/01116
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 lid 6 WzdArt. 27 leden 1 en 2 WzdArt. 29 lid 1 WzdArt. 30 leden 1-4 WzdArt. 37 leden 1 en 2 Wzd
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over bevoegdheid psychiater als ter zake kundige arts bij voortzetting inbewaringstelling Wzd

Betrokkene was op grond van de Wet zorg en dwang (Wzd) inbewaring gesteld en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht om een machtiging tot voortzetting van deze inbewaringstelling. De medische verklaring was opgesteld door een psychiater die betrokkene had onderzocht en een verstandelijke beperking had vastgesteld, mede gebaseerd op een psychologisch onderzoek van zeven jaar geleden.

De rechtbank Oost-Brabant wees het verzoek van het CIZ toe en oordeelde dat een psychiater als ter zake kundige arts kan worden aangemerkt en dat de medische verklaring voldoende was onderbouwd. Betrokkene stelde cassatie in tegen dit oordeel, stellende dat alleen een arts verstandelijk gehandicapten of specialist ouderengeneeskunde als ter zake kundige arts kan optreden en dat de medische verklaring onvoldoende inzicht gaf in de actuele situatie.

De Hoge Raad overwoog dat de wetgever met de Wzd niet heeft beoogd de bevoegdheid van psychiaters te beperken en dat een psychiater als ter zake kundige arts kan worden aangemerkt. Echter, de medische verklaring voldeed niet aan de eis van voldoende inzicht in de actuele situatie van betrokkene, omdat deze onvoldoende onderbouwd was en te veel steunde op een oud psychologisch onderzoek.

Daarom vernietigde de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank en verwees de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing, waarbij een betere onderbouwing van de medische verklaring vereist is.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug vanwege onvoldoende onderbouwing van de medische verklaring door de psychiater.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/01116
Datum10 april 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: M.A.M. Wagemakers,
tegen
CENTRUM INDICATIESTELLING ZORG,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: het CIZ,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/01/412672 / FA RK 25-596 van de rechtbank Oost-Brabant van 14 februari 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
Het CIZ heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
Ten aanzien van betrokkene is op grond van art. 29 lid 1 Wzd Pro een beschikking tot inbewaringstelling gegeven.
2.2
Het CIZ heeft vervolgens verzocht ten aanzien van betrokkene een machtiging te verlenen tot voortzetting van de inbewaringstelling voor de duur van zes weken. In de bij het verzoekschrift gevoegde medische verklaring van een psychiater is, voor zover in cassatie van belang, het volgende vermeld:
“3 GERAADPLEEGDE HULPVERLENERS
Heeft u overleg gevoerd met de zorgaanbieder die de betrokkene zorg verleent of met de huisarts?
Ja
Met wie heeft u overleg gevoerd?
Zorgaanbieder
(…)
5 ONDERZOEK
Wanneer heeft u de betrokkene onderzocht?
11/02/2025 18:15
a. Is er naar uw oordeel sprake van een psychogeriatrische aandoening, een verstandelijke beperking of een daaraan gelijkgestelde aandoening?
Ja
b. Tot welke vermoedelijke diagnose bent u gekomen?
X Verstandelijke beperking
(…)
Wat is de belangrijkste vermoedelijke diagnose?
Verstandelijke beperking
(…)
c. Op grond waarvan bent u tot deze vermoedelijke diagnose gekomen?
Patiënt heeft een IQ van 56.
(…)
8 OVERIGE INFORMATIE
Welke overige informatie acht u nog van belang?
Patiënt heeft een WLZ 7
2.3
De rechtbank [1] heeft het verzoek toegewezen, en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.
“4.2. De advocaat heeft primair namens betrokkene betwist dat sprake is van een verstandelijke beperking. Zij voert aan dat een psychiater de verstandelijke beperking niet had mogen vaststellen. Dit had moeten gebeuren door een arts verstandelijk gehandicapten.
De rechtbank stelt vast dat de medische verklaring is opgesteld door een psychiater, die door de wet als een ter zake kundige arts aangemerkt wordt en derhalve een verklaring mocht afgeven.
4.3.
De advocaat voert verder aan dat de psychiater zich niet had mogen baseren op een onderzoek naar de verstandelijke vermogens van betrokkene van zeven jaar geleden. Dit zou volgens haar een momentopname kunnen zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is de psychiater echter uitgegaan van een combinatie van zijn eigen onderzoek aan betrokkene en het psychologisch onderzoek van zeven jaar geleden. Daaruit heeft hij de conclusie getrokken dat sprake is van een verstandelijke beperking. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om, zoals de advocaat subsidiair heeft verzocht, een second opinion te laten uitvoeren.
(…)
4.7.
Om die reden stelt de rechtbank vast dat vermoed wordt dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een verstandelijke handicap.”

3.Beoordeling van het middel

3.1.1
Onderdeel 1 van het middel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank (in rov. 4.2) dat de wet een psychiater als een ter zake kundige arts aanmerkt. Volgens het onderdeel moet onder een ter zake kundige arts als bedoeld in art. 26 lid Pro 6, onder d, Wzd worden verstaan een arts voor verstandelijk gehandicapten, een specialist ouderenkunde of een andere deskundige arts. Niet blijkt dat de psychiater die de medische verklaring heeft afgelegd als een dergelijke arts kan worden gekwalificeerd, aldus het onderdeel.
3.1.2
Uit rechtspraak van de Hoge Raad onder de inmiddels vervallen Wet Bopz volgt dat bij een stoornis als gevolg van een verstandelijke handicap zowel een arts voor verstandelijk gehandicapten als een psychiater bevoegd was een medische verklaring op te stellen. Met de mogelijkheid dat het geneeskundig onderzoek werd uitgevoerd door een arts voor verstandelijk gehandicapten voor zover het de opname of het verblijf van een verstandelijk gehandicapte betreft, heeft de wetgever destijds niet bedoeld de bevoegdheden van een psychiater te beperken. Ook als in een dergelijk geval de geneeskundige verklaring was opgesteld door een onafhankelijk psychiater, werd voldaan aan de uit art. 5 EVRM Pro voortvloeiende eis van ‘objective medical expertise’. [2]
3.1.3
Op grond van art. 26 lid Pro 6, onder d, Wzd legt het CIZ bij een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot opname en verblijf of voortzetting van het verblijf een verklaring over van een ter zake kundige arts die de betrokkene met het oog op de machtiging kort te voren heeft onderzocht, maar die ten minste gedurende één jaar geen zorg heeft verleend aan de cliënt en ten opzichte van de zorgaanbieder onafhankelijk functioneert. Op grond van art. 37 lid 2 Wzd Pro in verbinding met art. 30 leden Pro 1-4 Wzd legt het CIZ bij een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling een verklaring over van een ter zake kundige arts die gedurende ten minste één jaar geen zorg heeft verleend aan de cliënt en onafhankelijk ten opzichte van de zorgaanbieder functioneert, welke arts van tevoren overleg pleegt met de zorgaanbieder die de betrokkene zorg verleent of, indien deze ontbreekt, met de huisarts van de cliënt, en zo mogelijk de betrokkene voorafgaand aan de afgifte van de verklaring onderzoekt.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met deze eisen heeft beoogd invulling te geven aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin wordt gesproken van ‘objective medical expertise’. [3] Uit de wetsgeschiedenis volgt niet dat de wetgever heeft bedoeld dat – anders dan onder de Wet Bopz (oud) gold (zie hiervoor in 3.1.2) – onder de Wzd een psychiater niet als een ter zake kundige arts wordt aangemerkt. Dat in de memorie van toelichting is opgemerkt dat de medische verklaring voor iemand met een verstandelijke beperking door een arts voor verstandelijk gehandicapten moet worden opgesteld, [4] maakt dat niet anders. In de nota naar aanleiding van het verslag is immers opgemerkt dat een ter zake kundige arts ‘in de regel’ een arts voor verstandelijk gehandicapten zal zijn; [5] het kan dus ook een andere arts zijn. De klacht van onderdeel 1 is dan ook ongegrond.
3.2.1
Onderdeel 2.1 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank (in rov. 4.3) dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de conclusie van de psychiater dat sprake is van een verstandelijke beperking, en tegen de vaststelling door de rechtbank (in rov. 4.7) dat vermoed wordt dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een verstandelijke handicap. In de medische verklaring is geen inzicht verschaft in de actuele situatie van betrokkene, althans is niet duidelijk hoe de psychiater tot zijn diagnose is gekomen. Daarom is onbegrijpelijk hoe de rechtbank heeft kunnen oordelen dat sprake is van een verstandelijke handicap, aldus het onderdeel.
3.2.2
Uit art. 27 leden Pro 1 en 2 Wzd volgt onder meer dat de medische verklaring die op grond van art. 26 lid Pro 6, onder d, Wzd moet worden overgelegd, inzicht dient te verschaffen in de actuele situatie van de betrokkene, en met redenen moet worden omkleed. Voor de medische verklaring met het oog op een last tot inbewaringstelling (art. 30 lid 1 Wzd Pro) of een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling (art. 37 lid 1 Wzd Pro) gelden in dit opzicht geen andere eisen. [6]
3.2.3
In de medische verklaring (zie hiervoor in 2.2) is de vermoedelijke diagnose onderbouwd met een verwijzing naar het IQ van betrokkene van 56. In de medische verklaring is niet toegelicht op basis van welk onderzoek de psychiater tot deze bevinding is gekomen. Gelet op de stukken van het geding (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.27, 3.28 en 3.30) lijkt de psychiater daarmee terug te grijpen op het verslag van een psychologisch onderzoek van betrokkene uit 2017. Daarvan is kennelijk ook de rechtbank uitgegaan, gezien de verwijzing in rov. 4.3 naar “het psychologisch onderzoek van zeven jaar geleden”. Dat onderzoek was evenwel niet meer actueel.
Uit de medische verklaring blijkt verder niet waaruit het onderzoek door de psychiater heeft bestaan en hoe dit heeft bijgedragen aan zijn vermoedelijke diagnose van een verstandelijke beperking.
Het onderdeel voert dan ook terecht aan dat de medische verklaring onvoldoende inzicht verschaft in de actuele situatie van betrokkene, althans dat niet duidelijk is hoe de psychiater tot zijn diagnose is gekomen.
3.2.4
De rechtbank heeft haar oordeel over de (vermoedelijke) diagnose van betrokkene uitsluitend gebaseerd op de medische verklaring van de psychiater. Gelet op wat hiervoor in 3.2.2 en 3.2.3 is overwogen, biedt die medische verklaring niet een toereikende grondslag voor dat oordeel. De daarop gerichte klacht van onderdeel 2.1 slaagt.
3.3
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 14 februari 2025;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
10 april 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Oost-Brabant 14 februari 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2245.
2.Zie voor een en ander HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:682, rov. 3.4-3.5.
3.Kamerstukken II 2008/09, 31996, nr. 3, p. 65 en 68.
4.Kamerstukken II 2008/09, 31996, nr. 3, p. 66.
5.Kamerstukken II 2018/19, 35087, nr. 7, p. 8-9.
6.Vgl. Kamerstukken II 2008/09, 31996, nr. 3, p. 67-68.