Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:563

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
24/00160
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 408 lid 1 sub a SvArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens te late indiening

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin het hoger beroep van de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard omdat het te laat was ingesteld. De advocaat van de verdachte had het hoger beroep één dag na de appeltermijn ingesteld, terwijl niet was gebleken dat de schriftelijke bijzondere volmacht tijdig bij de griffie was ontvangen.

De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld maar oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het arrest konden leiden. De Hoge Raad hoefde zijn oordeel niet te motiveren omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar dit leidde niet tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad bevestigde dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk was verklaard, waardoor het vonnis van de rechtbank onherroepelijk is geworden.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens te late indiening.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hoger beroep is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/00160
Datum7 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 januari 2024, nummer 21-001529-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.I. L'Ghdas bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

3.1
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.
3.2
De klacht tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het door de verdachte ingestelde hoger beroep leidt niet tot cassatie. De Hoge Raad acht ook geen grond aanwezig waarop dat oordeel ambtshalve zou moeten worden vernietigd. Daarom moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het hof het namens de verdachte ingestelde hoger beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden. Bij deze stand van zaken kan de omstandigheid dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 april 2026.