Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op 1 januari 2026 op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Deze brief werd volgens Track&Trace afgeleverd op het opgegeven adres.
Ondanks deze kennisgeving werd het griffierecht niet betaald. Op 2 februari 2026 plaatste de griffier een bericht in het digitale dossier van belanghebbende met de mogelijkheid om te reageren op het niet betalen van het griffierecht. Tevens werd een kennisgeving van deze plaatsing verzonden naar het opgegeven e-mailadres van belanghebbende. Gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, wordt aangenomen dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen.
Belanghebbende maakte geen gebruik van de gelegenheid om te reageren. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is op 27 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.