Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Deze brief is afgeleverd op het opgegeven adres.
Het griffierecht is echter niet betaald. De griffier heeft belanghebbende vervolgens via het digitale dossier en per e-mail op 22 juli 2025 in de gelegenheid gesteld om te reageren op het niet betalen van het griffierecht. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest is op 27 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.