Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
13 januari 2026.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van poging tot diefstal door middel van braak, gepleegd in meerdere gevallen. Het hof legde een gevangenisstraf op van 156 dagen onvoorwaardelijk en 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen de strafoplegging, met name tegen het feit dat het hof twee vrijheidsstraffen had opgelegd in plaats van één, in strijd met artikel 57 lid 1 Sr Pro.
De advocaat-generaal concludeerde dat de strafoplegging begrepen moest worden als één gevangenisstraf van 246 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest. De Hoge Raad oordeelde dat hoewel het hof formeel twee straffen had opgelegd, dit in onderlinge samenhang moest worden gezien als één strafoplegging, en dat dit geen grond voor cassatie vormde.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, waardoor de opgelegde straf verminderd moest worden. De straf werd verminderd tot 239 dagen gevangenisstraf, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling en vermindert de gevangenisstraf tot 239 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.