Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
13 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag. De verdachte, geboren in 1973, was veroordeeld voor poging tot diefstal door middel van braak, wat meermaals was gepleegd. Het hof had een gevangenisstraf van 156 dagen opgelegd, met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof in strijd met artikel 57 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht niet één straf had opgelegd, maar twee. Dit was in strijd met de wet, maar leidde niet tot cassatie. De Hoge Raad concludeerde dat de verdachte in totaal was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 246 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en met aftrek van voorarrest. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. Uiteindelijk werd de gevangenisstraf verminderd tot 239 dagen, met behoud van de voorwaardelijke straf en de proeftijd.