ECLI:NL:HR:2026:50

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
23/02844
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over strafoplegging bij poging tot diefstal met braak

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag. De verdachte, geboren in 1973, was veroordeeld voor poging tot diefstal door middel van braak, wat meermaals was gepleegd. Het hof had een gevangenisstraf van 156 dagen opgelegd, met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof in strijd met artikel 57 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht niet één straf had opgelegd, maar twee. Dit was in strijd met de wet, maar leidde niet tot cassatie. De Hoge Raad concludeerde dat de verdachte in totaal was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 246 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en met aftrek van voorarrest. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. Uiteindelijk werd de gevangenisstraf verminderd tot 239 dagen, met behoud van de voorwaardelijke straf en de proeftijd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02844
Datum13 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 juli 2023, nummer 22-002301-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D. Simo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot het verstaan dat de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 246 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in artikel 27 lid 1 Sr en verder tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof in strijd met artikel 57 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) niet één straf heeft opgelegd.
2.2
Het cassatiemiddel klaagt hierover terecht, maar leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.2 tot en met 4.7. De Hoge Raad zal verstaan dat de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 246 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 lid 1 Sr.

3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 246 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verstaat dat de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 246 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 lid 1 Sr;
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 239 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 lid 1 Sr beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 januari 2026.