Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:486

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
24/03391
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 302 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor zware mishandeling ex-partner ondanks overschrijding redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 september 2024, waarin hij werd veroordeeld voor zware mishandeling van zijn ex-partner op grond van artikel 302 lid 1 Sr Pro.

De advocaat-generaal concludeerde dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden, maar adviseerde het beroep voor het overige te verwerpen. De Hoge Raad beoordeelde de klachten over het hofarrest en oordeelde dat deze niet tot vernietiging konden leiden, zonder nadere motivering vanwege artikel 81 lid 1 RO Pro.

Het cassatiemiddel dat klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn werd gegrond verklaard. Gelet op de opgelegde straf van vier maanden gevangenisstraf, waarvan twee voorwaardelijk, vond de Hoge Raad dat dit geen aanleiding gaf tot een ander rechtsgevolg dan de constatering van de termijnoverschrijding.

De Hoge Raad wees het beroep uiteindelijk af en bevestigde daarmee het hofarrest. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 24 maart 2026.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor zware mishandeling ondanks overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/03391
Datum24 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 september 2024, nummer 20-000815-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S.F.W. van ’t Hullenaar bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot de constatering dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 maart 2026.