Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
24 maart 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de periode waarin de voorlopige hechtenis van de verdachte onder voorwaarden was geschorst, moet worden afgetrokken van de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De verdachte was in hoger beroep veroordeeld voor moord op haar 11-jarige zoon en bracht een cassatieberoep in tegen het oordeel van het hof dat deze schorsingsperiode niet als voorarrest in mindering gebracht hoefde te worden.
De schorsingsvoorwaarden beperkten de bewegingsvrijheid van de verdachte aanzienlijk, waaronder huisarrest met elektronische monitoring en strikte voorwaarden omtrent contact en verblijf. De verdediging stelde dat deze huisdetentie gelijkgesteld moest worden aan voorlopige hechtenis en dus in mindering gebracht moest worden op de straf.
De Hoge Raad oordeelde dat artikel 27 lid 1 Sr Pro alleen verplicht tot aftrek van tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis, verzekering, gijzeling of soortgelijke situaties, maar niet voor perioden van geschorste voorlopige hechtenis onder voorwaarden, ook niet als die beperkingen vergaand zijn. Artikel 5 EVRM Pro verplicht dit evenmin. Wel is het aan de rechter om bij de strafoplegging rekening te houden met de concrete gevolgen van de schorsingsvoorwaarden, maar een motiveringsplicht geldt alleen als de verdediging dit expliciet en onderbouwd aanvoert.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de periode van geschorste voorlopige hechtenis onder voorwaarden niet in mindering wordt gebracht op de opgelegde gevangenisstraf.