Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:481

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
25/02178
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 lid 3 UitleveringswetArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toelaatbaarheid uitlevering ondanks onduidelijke feitomschrijving

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake het uitleveringsverzoek van de Republiek Albanië voor een persoon van Albanese nationaliteit, verdacht van oplichting van meerdere personen.

De rechtbank had de uitlevering toelaatbaar verklaard, maar zonder een voldoende duidelijke vermelding van het feit waarvoor uitlevering werd toegestaan, in strijd met artikel 28 lid 3 van Pro de Uitleveringswet. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het vonnis vanwege dit formele gebrek, maar stelde voor de uitlevering alsnog toe te staan voor het feit zoals omschreven in het bij het verzoek overgelegde rapport van het Openbaar Ministerie te Durres.

De Hoge Raad oordeelde dat het middel gegrond was en herstelde het verzuim door de uitlevering toelaatbaar te verklaren voor het feit zoals omschreven in het rapport. Andere klachten van de verdediging werden verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad bevestigde daarmee de uitlevering ondanks de aanvankelijke onduidelijkheid in de feitomschrijving.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de uitlevering toelaatbaar ondanks onvoldoende feitomschrijving en verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/02178 U
Datum24 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 mei 2025, nummer UTL-I-2025001591, op verzoek van Republiek Albanië tot uitlevering
van
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de opgeëiste persoon.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, maar uitsluitend voor zover de rechtbank heeft verzuimd het feit waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan, genoegzaam te vermelden, tot toelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter zake van het feit zoals omschreven in het “Report dated 04.04.2024 of Prosecution Office at Durres First Instance Court of General Jurisdiction” ten aanzien van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de uitspraak van de rechtbank in strijd met artikel 28 lid 3 van Pro de Uitleveringswet niet een voldoende duidelijke vermelding bevat van het feit waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan.
2.2
Het cassatiemiddel is gegrond. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 en 2.4 tot en met 2.8. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen op de manier zoals weergegeven onder 4.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verstaat dat de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard voor het feit zoals omschreven in het “Report dated 04.04.2024 of Prosecution Office at Durres First Instance Court of General Jurisdiction” ten aanzien van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , en [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] ;
- verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 maart 2026.