ECLI:NL:HR:2026:463
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslagen loonheffingen
Belanghebbende, een B.V., was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over aan haar opgelegde naheffingsaanslagen in de loonheffingen voor de jaren 2014 tot en met 2017, inclusief de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente. Na een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant werd hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, dat op 20 maart 2024 uitspraak deed.
Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen het arrest van het Hof. De Hoge Raad heeft de ingediende klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Hiermee blijft het arrest van het Gerechtshof ongewijzigd in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof blijft in stand.