Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beslissing van het gerechtshof Amsterdam van 14 november 2024, waarin een wrakingsverzoek werd afgewezen. De verzoeker stelde cassatiemiddelen in via zijn advocaat, waarna de advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Hoge Raad overwoog dat op grond van artikel 515 lid 5 van Pro het Wetboek van Strafvordering geen rechtsmiddel openstaat tegen een beslissing op een wrakingsverzoek. Het cassatieberoep was gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep tegen de afwijzing van het wrakingsverzoek door de rechtbank.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. De uitspraak werd gedaan door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting op 20 januari 2026.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep tegen de afwijzing van het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard.