Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:445

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
23/04185
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 163.6 WVW 1994Art. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt proeftijd van twee jaar bij ontzegging rijbevoegdheid ondanks discrepantie in vonnis

In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte verworpen. De verdachte was door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van acht maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De verdachte stelde in cassatie dat er een innerlijke tegenstrijdigheid bestond tussen de strafmotivering, waarin een proeftijd van twee jaren werd genoemd, en het dictum, waarin een proeftijd van drie jaren was vastgesteld. De Hoge Raad heeft dit middel onderzocht en geoordeeld dat het middel terecht is voorgesteld, maar dat er geen grond bestaat voor cassatie. De Hoge Raad leest het arrest van het hof aldus dat de proeftijd twee jaren bedraagt.

Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, maar acht dit niet aanleiding voor een ander rechtsgevolg gezien de opgelegde taakstraf van veertig uren.

De Hoge Raad bevestigt daarmee de strafoplegging van het hof en verklaart het cassatieberoep ongegrond.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt een ontzegging van rijbevoegdheid van acht maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en verwerpt het cassatieberoep.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04185
Datum17 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 oktober 2023, nummer 21-003165-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.E.G. van der Hut bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal verstaan dat de door het hof vastgestelde proeftijd twee jaren beloopt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de strafmotivering en het dictum innerlijk tegenstrijdig zijn.
2.2
Om de redenen die staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2, is het cassatiemiddel terecht voorgesteld maar bestaat geen grond voor cassatie. De Hoge Raad zal de door het hof opgelegde ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen verstaan zoals onder 4 is weergegeven.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van veertig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verstaat dat het hof aan de verdachte de bevoegdheid heeft ontzegd tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van acht maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
- verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 maart 2026.