Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
17 maart 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte verworpen. De verdachte was door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van acht maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De verdachte stelde in cassatie dat er een innerlijke tegenstrijdigheid bestond tussen de strafmotivering, waarin een proeftijd van twee jaren werd genoemd, en het dictum, waarin een proeftijd van drie jaren was vastgesteld. De Hoge Raad heeft dit middel onderzocht en geoordeeld dat het middel terecht is voorgesteld, maar dat er geen grond bestaat voor cassatie. De Hoge Raad leest het arrest van het hof aldus dat de proeftijd twee jaren bedraagt.
Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, maar acht dit niet aanleiding voor een ander rechtsgevolg gezien de opgelegde taakstraf van veertig uren.
De Hoge Raad bevestigt daarmee de strafoplegging van het hof en verklaart het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt een ontzegging van rijbevoegdheid van acht maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en verwerpt het cassatieberoep.