ECLI:NL:HR:2026:431

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
24/01694
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 360 SvArt. 344a lid 3 SvArt. 312.2 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij woningoverval

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag in een strafzaak over medeplegen van diefstal met geweld bij een woningoverval waarbij de dagopbrengst van een jaarlijks muziekfestival werd buitgemaakt.

De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder een bewijsklacht en een klacht over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over het bewijs en medeplegen niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en hoefde deze niet nader te motiveren.

Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden, wat een gegrond cassatiemiddel opleverde. Dit leidde tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend voor de strafduur en vermindering van de gevangenisstraf van drie jaar en acht maanden naar drie jaar en zes maanden.

De overige klachten van de verdachte werden verworpen. Het arrest werd gewezen door de vice-president Borgers als voorzitter en raadsheren Kuijer en Trotman, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 17 maart 2026.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van drie jaar en acht maanden naar drie jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01694
Datum17 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 april 2024, nummer 22-000151-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste en van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaren en acht maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en zes maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 maart 2026.