Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het zevende cassatiemiddel
4.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
5.Beslissing
24 maart 2026.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake het opzettelijk niet doen van aangiften vennootschapsbelasting over meerdere jaren door verdachte, waaronder de jaren 2015 en 2016.
Het hof had vastgesteld dat verdachte was uitgenodigd tot het doen van aangiften en dat deze aangiften tijdens de bewezenverklaarde periode zijn gedaan, maar oordeelde toch dat verdachte de aangiften over 2015 en 2016 niet had gedaan. De Hoge Raad verklaarde dit oordeel niet begrijpelijk, maar oordeelde dat het weglaten van dit deel van de bewezenverklaring de aard en ernst van het bewezenverklaarde niet aantastte, zodat cassatie op dit punt niet slaagde.
Verder stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep volgde. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde geldboete van €10.000 naar €9.000.
De overige klachten van verdachte werden verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor zover het de hoogte van de geldboete betrof, verminderde de boete en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: Geldboete verminderd tot €9.000 wegens overschrijding redelijke termijn; vrijspraak voor niet doen aangiften 2015 en 2016.