Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste tot en met het vijfde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het zesde cassatiemiddel
4.Beslissing
24 maart 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over opzettelijk niet doen van aangiften vennootschapsbelasting en het niet voeren van een verplichte administratie. De verdachte, een B.V., werd door het hof veroordeeld tot een geldboete van €48.500.
In cassatie werden meerdere klachten ingediend, waaronder over het bewijs en het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard wegens het ontbreken van een informatiebeschikking. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en hoefde deze niet nader te motiveren.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep volgde. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde geldboete.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de hoogte van de geldboete en stelde deze vast op €46.000. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De geldboete wordt verminderd van €48.500 naar €46.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.