ECLI:NL:HR:2026:41

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
24/00162
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen poging tot doodslag in kapperszaak met bewijsvoering van opzet en samenwerking

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verdachte, geboren in 1982, was betrokken bij een gewelddadige aanval op een aangever in een kapperszaak op 11 december 2015. De verdachte en zijn medeverdachten hebben de kapperszaak binnengekomen en hebben de aangever met verschillende voorwerpen, waaronder een mes, tondeuse en bezems, aangevallen. Het hof had geoordeeld dat de verdachte opzet had op de dood van de aangever, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit oordeel niet voldoende gemotiveerd was. De Hoge Raad herhaalde dat voor bewezenverklaring van medeplegen van poging tot doodslag het opzet van de verdachte zowel op de samenwerking met mededaders als op de verwezenlijking van het grondfeit gericht moet zijn. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en wees de zaak terug voor herbehandeling, waarbij de vraag of de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van een mes en de mogelijkheid dat een medeverdachte de aangever daarmee zou steken, centraal stond. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige bewijsvoering bij het vaststellen van opzet en medeplegen in strafzaken.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/00162
Datum13 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 januari 2024, nummer 21-006250-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het tenlastegelegde medeplegen van poging tot doodslag niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel van het hof dat de verdachte opzet had op de dood van de aangever [slachtoffer] .
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 11 december 2015 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een mes in de nek heeft gestoken en met een tondeuse en meermalen met bezems en vuisten op het hoofd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.3, waaronder de volgende bewijsmiddelen:
“10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 11 december 2015, opgenomen op pagina 405 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :
Op 11 december 2015 was ik aan het werk in de kapperszaak [A] aan de [a-straat] te [plaats] . Ik zag dat de 3 mannen in de richting van [slachtoffer] liepen. Ik zag dat [slachtoffer] in de kappersstoel zat. Ze kwamen boos en dreigend binnen. Ik zag dit aan de manier van doen en ze spraken erg dreigend tegen [slachtoffer] . Ik hoorde onder meer iets van: ‘we hebben je gewaarschuwd, dit moet je niet zeggen/had je niet moeten zeggen’ althans dat soort woorden.
Ik zag dat dader 1 (Het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2] ) een tondeuse pakte en hiermee [slachtoffer] keihard op zijn hoofd sloeg. Ik zag ook dat twee anderen met stokken op [slachtoffer] insloegen.
Ik zag dat een van de drie een mes in zijn handen had en hiermee opzettelijk en met kracht in de richting van [slachtoffer] zijn nek stak.
De vechtpartij tussen [slachtoffer] en die drie mannen ging tot aan de ingangsdeur.
11. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris d.d. 15 november 2016, voor zover inhoudende:
Het was half zes en we zouden dichtgaan. Ik was alles aan het opruimen en afronden. Toen kwamen ze binnen. (...) De mannen liepen gelijk na binnenkomst naar de stoel waar [slachtoffer] (het hof begrijpt telkens: aangever [slachtoffer] ) in zat. De raadsvrouw houdt mij voor een gedeelte uit mijn verklaring waarin ik zeg dat de mannen boos en dreigend liepen. Dit klopt. De drie mannen gingen om de stoel van [slachtoffer] heen staan. [medeverdachte 2] stond bij de spiegel en begon te slaan. [medeverdachte 2] sloeg [slachtoffer] met een tondeuse. Ik heb gezien dat hij deze heeft gepakt vanaf de lader. [slachtoffer] kreeg toen van alle kanten klappen. Hij beschermde zichzelf. (...) Ik heb niet gezien of iemand een mes heeft gebruikt. Het mes zat wel onder het bloed. Na de eerste klap ging [slachtoffer] een beetje naar achteren. Ze begonnen toen alle drie te slaan. (...) Ik heb wel gezien dat de houten bezem kapot is gegaan. Dit is door het slaan gebeurd.
12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 11 december 2015, opgenomen op pagina 410 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :
Vandaag, 11 december 2015, was ik aan het werk in de kapperszaak [A] aan de [a-straat] te [plaats] .
[medeverdachte 2] kwam de kapperszaak in met [medeverdachte 1] en hun aangetrouwde zwager [verdachte] . Ze begonnen alle drie tegen [slachtoffer] . Ik zag dat [medeverdachte 2] een tondeuse van de zaak pakte en hiermee [slachtoffer] op zijn hoofd sloeg. Het was allemaal bloed en de tondeuse van 200 euro is kapot.
Ik zag dat een van de drie een mes in zijn handen had en hiermee [slachtoffer] in de rug stak.
Ik zag ook dat er met stokken op [slachtoffer] in werd geslagen. Later bleek mij dat de bezems uit de zaak op [slachtoffer] zijn hoofd en lichaam zijn kapot geslagen.
13. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 11 december 2015, opgenomen op pagina 414 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
Vandaag, 11 december 2015, was ik aan het werk in de kapsalon ‘ [A] ’ aan de [a-straat] te [plaats] . Op het moment dat [slachtoffer] werd geknipt liepen er drie mannen de zaak binnen. Ik zag direct dat de drie mannen die de zaak binnen kwamen dat dat niet goed was. Ik voelde dat zij iets gingen doen. ik dacht oh god. Ze gingen om de stoel staan waar [slachtoffer] op zat, zodat [slachtoffer] geen kant op kon. Er werd maar heel kort gesproken en daarna werd er al heel snel geslagen. Door alle drie de mannen werd vervolgens op [slachtoffer] ingeslagen. Er werd steeds op zijn hoofd geslagen. Daarbij werd gebruik gemaakt van de tondeuse, van vuisten, van bezems, van alles wat ze maar in hun handen konden krijgen. Ik zag dat het bloed uit [slachtoffer] zijn hoofd gutste. Op een gegeven moment zag ik dat [slachtoffer] werd gestoken. Hij werd gestoken in een van zijn armen. Ze sloegen [slachtoffer] echt de hele zaak door. [slachtoffer] zat dus niet meer in de stoel.
(...)
19. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt relaas proces-verbaal, betreffende uitkijken beelden bewakingscamera’s [C] d.d. 22 december 2015, opgenomen op pagina 509 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:
Camera 3 is gericht richting [...] / [...] / [...] . De gehele voorzijde van kapperszaak [A] is zichtbaar.
De aangeleverde opnames zijn opgenomen op 11 december 2015 tussen 17:00 en 18:00 uur.
Beschrijving beelden:
18:41:17 (Het hof begrijpt: 17:41:17): Aan de overkant van de gracht is een groepje van 3 mannen zichtbaar. Deze 3 mannen, allen donker gekleed, lopen in de richting van de kapperszaak.
17:42:21: Een donker geklede man komt bij kapperszaak “ [A] ” naar buiten. Hij blijft bij de deur staan en houdt de deur open. Dit is ongeveer 1 minuut en 10 seconden nadat de 3 mannen de kapperszaak binnen zijn gegaan.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder onder meer overwogen:
“Vaststelling van de feiten
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 11 december 2015 zich met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] buiten heeft verzameld, dat zij gezamenlijk kapperszaak [A] te [plaats] zijn binnengegaan en dat zij bij binnenkomst dreigend gezamenlijk naar aangever [slachtoffer] zijn gelopen en de kappersstoel waarin deze zich bevond, hebben omringd. Daarbij stond verdachte vanuit aangever gezien links, [medeverdachte 2] rechts en [medeverdachte 1] achter aangever. Vervolgens zijn de drie verdachten ieder vrijwel direct overgegaan tot het gelijktijdig uitoefenen van grof geweld tegen aangever, waarbij aangever onder meer met harde voorwerpen – stokken en/of bezems en een tondeuse – en met vuisten tegen zijn hoofd is geslagen en tweemaal met een mes is gestoken in zijn nek (bovenaan de rug) en nadien in zijn rechterarm. Het hof stelt op grond van de positionering van de verdachten en de locatie van de twee steek/snijverwondingen van aangever in de nek vast dat [medeverdachte 1] deze heeft toegebracht. [medeverdachte 2] is, onder meer blijkens zijn eigen verklaring, degene geweest die aangever met een tondeuse op zijn hoofd heeft geslagen. Aangever is evenwel ook op andere posities op zijn lichaam gewond geraakt. In de kapperszaak heeft een worsteling tussen aangever en de verdachten plaatsgevonden die tot aan de voordeur van de kapperszaak voortduurde. Getuige [getuige 1] verklaart onder meer dat zij heeft gezien dat aangever op een gegeven moment met een mes in zijn rechterarm werd gestoken door een van de drie mannen.
Het hof leidt uit de beschrijving van camerabeelden af dat de kapperszaak om 17:41:17 uur gezamenlijk door verdachte en zijn mededaders wordt benaderd en binnengegaan en dat de zaak vervolgens om 17:42:21 uur weer wordt verlaten. Het toegepaste geweld heeft zodoende binnen een tijdsbestek van iets meer dan één minuut plaatsgevonden. In dat korte tijdsbestek vindt het hof bevestiging van hetgeen aangever, getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren over het door verdachte en zijn medeverdachten vrijwel direct na binnenkomst van de zaak toegepaste geweld.
(...)
Voorwaardelijk opzet
Door de verdediging is betoogd dat geen sprake is geweest van een poging tot doodslag. Daartoe is gewezen op een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt d.d. 28 juli 2023, waarin onder meer is opgenomen dat het letsel dat bij aangever in zijn nek is geconstateerd niet potentieel dodelijk was. Ook is betoogd dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op de dood van aangever.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval de dood – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg heeft aanvaard.
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft zoals hiervoor vastgesteld twee keer met een mes laag in de nek, ter hoogte van de bovenrug van aangever gestoken. Zoals overwogen stond [medeverdachte 1] op dat moment achter aangever die in een kappersstoel zat. Aangever bevond zich zodoende in een positie waarin hij kwetsbaar was. Algemeen bekend is dat in de nabijheid van de plaats waar gestoken is slagaders en longen liggen en dat het aldus een kwetsbaar gedeelte van het menselijk lichaam is.
De gedragingen van [medeverdachte 1] waren dan ook geëigend om de dood te kunnen laten intreden. Het hof neemt bij dat oordeel in overweging dat de gevaarzetting van messteken onder in de nek c.q. boven in de rug volgt uit het NFI-rapport van 28 juli 2023. Uit dat rapport volgt dat het lemmet van het mes een lengte heeft van ongeveer 9 centimeter. De omstandigheid dat het geconstateerde steek- of snijletsel in de nek respectievelijk bovenrug uiteindelijk geen potentieel dodelijk letsel heeft opgeleverd, staat aan het aannemen van voorwaardelijk opzet geenszins in de weg. Het gaat immers om de vraag of sprake is geweest van zodanig gevaarzettend handelen dat daarmee een aanmerkelijke – en reële – kans in het leven is geroepen dat het slachtoffer daardoor zou komen te overlijden. Naar het oordeel van het hof kan het tweemaal steken in de nek/rug met een mes met een lemmet van de vastgestelde lengte naar de uiterlijke verschijningsvorm zonder meer worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van dat gevolg, dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan het hof niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat in ieder geval [medeverdachte 1] de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard. Aldus heeft [medeverdachte 1] willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever als gevolg van zijn handelen zou overlijden en is het opzet van [medeverdachte 1] in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest.
Naar het oordeel van het hof heeft ook verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer gehad, zoals hierna onder het kopje medeplegen zal worden overwogen.
Medeplegen
Voor een veroordeling wegens medeplegen houden de voorwaarden voor aansprakelijkstelling vooral in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is geweest.
Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak in de kern sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van de geweldshandelingen jegens aangever. De verdachten hebben zich buiten verzameld, zijn gezamenlijk de kapperszaak binnengegaan waarbij zij een dreigende indruk maakten en vrijwel onmiddellijk gewelddadig zijn geworden richting aangever. Het hof acht bewezen dat alle verdachten fors geweld hebben gepleegd jegens aangever, zoals hiervoor is vastgesteld. Zij hebben gezamenlijk en tegelijkertijd verschillende geweldshandelingen verricht en hebben door zo te handelen elkaar versterkt in hun geweld tegen aangever. Gelet op het forse geweld dat verdachte daarbij ook zelf met een hard voorwerp op een kwetsbaar onderdeel van het lichaam, namelijk het hoofd van aangever heeft uitgeoefend, is het hof van oordeel dat zijn voorwaardelijk opzet op de samenwerking zich mede uitstrekte tot de geweldshandelingen die beide medeverdachten hebben verricht, waaronder het steken in de nek door [medeverdachte 1] . Gelet op het ver strekkende geweld dat verdachte ook zelf heeft gebruikt, moet worden geoordeeld dat ook dit steken mede voor zijn rekening dient te komen en dat hij de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer als gevolg daarvan ook, willens en wetens heeft aanvaard. Het hof is derhalve van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten als medeplegers dienen te worden aangemerkt.”
2.3
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een ander of anderen. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De vraag of aan deze vereisten is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Daarbij kan van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen. (Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474.)
Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot doodslag geldt dat het opzet van de verdachte zowel op de nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededader(s) als op de verwezenlijking van dat tenlastegelegde grondfeit moet zijn gericht. In dit geval moet daarom uit de bewijsvoering onder meer kunnen volgen dat het opzet van de verdachte erop was gericht om tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] van het leven te beroven, door met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een mes in de nek te steken en met een tondeuse en met bezems en vuisten op het hoofd te slaan.
2.4.1
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zich buiten bij de kapperszaak [A] in [plaats] hebben verzameld en om 17.41:17 uur die kapperszaak zijn ingelopen, waarbij zij een dreigende indruk maakten en vrijwel onmiddellijk gewelddadig zijn geworden richting [slachtoffer] . Gezamenlijk en tegelijkertijd hebben zij verschillende geweldshandelingen verricht die eruit bestonden dat [medeverdachte 1] meermalen met een mes laag in de nek van [slachtoffer] heeft gestoken en dat [medeverdachte 2] en de verdachte (onder meer) met een tondeuse respectievelijk een bezem, die in de kapperszaak aanwezig waren, [slachtoffer] op het hoofd hebben geslagen. Om 17.42:21 uur hebben zij de kapperszaak weer verlaten.
2.4.2
Over het (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] heeft het hof onder het kopje ‘voorwaardelijk opzet’ overwogen dat algemeen bekend is dat in de nabijheid van de plaats waar [medeverdachte 1] hem met een mes heeft gestoken slagaders en longen liggen en dat dit dus een kwetsbaar gedeelte van het menselijk lichaam is. Het hof heeft geoordeeld dat – mede in aanmerking genomen dat het lemmet van het mes negen centimeter lang was – sprake is geweest van zodanig gevaarzettend handelen van [medeverdachte 1] dat daarmee een aanmerkelijke en reële kans in het leven is geroepen dat de aangever daardoor zou komen te overlijden, en dat het niet anders kan zijn dan dat “in ieder geval [medeverdachte 1] ” die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard, zodat het opzet van [medeverdachte 1] in voorwaardelijke zin ook op dit overlijden gericht is geweest.
Vervolgens heeft het hof onder het kopje ‘medeplegen’ geoordeeld dat in de kern sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van de geweldshandelingen tegen de aangever omdat de verdachten, kort gezegd, na het gezamenlijk betreden van de kapperszaak vrijwel onmiddellijk gewelddadig zijn geworden en daarbij allen fors geweld hebben gepleegd jegens [slachtoffer] , welk geweld er wat betreft de verdachte uit bestond dat hij [slachtoffer] met een hard voorwerp op een kwetsbaar lichaamsdeel, namelijk het hoofd heeft geslagen. Het hof heeft op grond daarvan geoordeeld dat verdachtes “voorwaardelijk opzet op de samenwerking zich mede uitstrekte tot de geweldshandelingen die beide medeverdachten hebben verricht, waaronder het steken in de nek door [medeverdachte 1] ”, dat “ook dit steken mede voor zijn rekening dient te komen” en dat de verdachte daarom “de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer als gevolg daarvan ook, willens en wetens heeft aanvaard.”
2.4.3
Het hierop gebaseerde oordeel dat ook de verdachte opzet had [slachtoffer] van het leven te beroven is niet toereikend gemotiveerd, nu uit de door het hof vastgestelde omstandigheden niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van een mes en van de mogelijkheid dat een van de medeverdachten [slachtoffer] daarmee op een kwetsbare plaats zou steken. Dat de verdachte heeft deelgenomen aan het gedurende een korte tijd opzettelijk medeplegen van fors geweld tegen [slachtoffer] , en dat hij en een medeverdachte daarbij tegen [slachtoffer] hoofd hebben geslagen met in de kapperszaak aanwezige harde voorwerpen, volstaat niet om die bewustheid aan te nemen.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 januari 2026.