ECLI:NL:HR:2026:4

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
23/02633
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis.1.b SrArt. 33a.1 SrArt. 81.1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatie in zaak witwassen geldbedrag met overschrijding redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake witwassen van een geldbedrag van €23.085, aangetroffen op verschillende verstopplaatsen in de woning van de verdachte.

De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde taakstraf van zestig uren vond de Hoge Raad dit echter geen aanleiding voor een ander rechtsgevolg.

Uiteindelijk werd het cassatieberoep verworpen en bleef het hofarrest in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest blijft in stand ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02633
Datum6 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 juli 2023, nummer 20-001962-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van zestig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 januari 2026.