Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:394

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
25/00948
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 lid 1 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in geschil over eigendom strook grond

In deze zaak stond een geschil over de eigendom van een strook grond centraal, waarbij de verkrijgende verjaring volgens artikel 3:99 lid 1 BW Pro een belangrijke rol speelde. De zaak werd in eerste aanleg behandeld door de rechtbank Amsterdam, waarna het gerechtshof Amsterdam in twee arresten uitspraak deed. Eiser stelde cassatieberoep in tegen deze arresten.

De Hoge Raad heeft de klachten van eiser over de arresten van het hof beoordeeld, maar geoordeeld dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van de arresten. De Hoge Raad heeft daarbij geen motivering gegeven, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en eiser veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, begroot op € 375 aan verschotten en € 2.200 aan salaris, vermeerderd met wettelijke rente indien niet tijdig voldaan. Het arrest is gewezen door de raadsheren Wattendorff, Lock en Teuben en in het openbaar uitgesproken door ter Heide.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/00948
Datum13 maart 2026
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaten: M.J. van Basten Batenburg en M. van Tiel,
tegen
1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verweerster 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: [verweerders],
advocaat: R.T. Wiegerink.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/13/688016/ HA ZA 20-808 van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2021, 12 mei 2021 en 29 december 2021;
b. de arresten in de zaak 200.308.985/01 van het gerechtshof Amsterdam van 13 februari 2024 en 17 december 2024.
[eiser] heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [verweerders] toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.E. Bartels strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van [eiser] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 375,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, F.J.P. Lock en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
13 maart 2026.