Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
Bij de aangiften heeft belanghebbende verzocht om toepassing van een preferentieel tarief van douanerechten (nul procent) in het kader van het zogenoemde stelsel van algemene preferenties (hierna: het SAP). Ten bewijze dat de rijwielen de vereiste preferentiële oorsprong Cambodja hebben, heeft belanghebbende bij de aangiften een certificaat van oorsprong, formulier A, overgelegd.
De rijwielen zijn met toepassing van het hiervoor bedoelde preferentiële tarief van douanerechten vrijgegeven voor het vrije verkeer.
Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) heeft in oktober 2015 in Cambodja een onderzoek uitgevoerd naar het mogelijk ontlopen van de hiervoor bedoelde antidumpingrechten op rijwielen uit China door Cambodja als land van oorsprong op te geven. Het onderzoek richtte zich op drie ondernemingen, waaronder de Cambodjaanse onderneming.
De diverse onderdelen van de fietsen zijn – behoudens de remkabels die door middel van solderen zijn verbonden met de remhandels – niet blijvend of duurzaam aan elkaar bevestigd. De diverse onderdelen zijn door middel van schroeven aan elkaar bevestigd, dan wel, al dan niet met behulp van verbindingsstukken, aan elkaar vastgeklemd. Ook de benodigde schroeven en verbindingstukken zijn in Cambodja als gerede producten ingevoerd. De frames zijn in Cambodja geverfd met verf die vanuit een ander land in Cambodja is ingevoerd.
3.De oordelen van het Hof
Daaraan heeft het Hof, onder verwijzing naar punt 18 van het arrest Brother, toegevoegd dat – anders dan belanghebbende betoogt – niet elke assemblagehandeling die uitstijgt boven eenvoudige assemblage, de niet-preferentiële oorsprong aan het eindproduct verleent enkel op de grond dat de assemblage uitstijgt boven eenvoudige assemblage. Of andere vormen van assemblage een ingrijpende bewerking of verwerking zijn, moet in elk afzonderlijk geval aan de hand van objectieve criteria worden vastgesteld, aldus het Hof.
Deze lijstregels dragen bij aan het bepalen van de niet-preferentiële oorsprong van goederen, maar mogen, aldus het Hof, de draagwijdte van artikel 24 van Pro het CDW niet wijzigen. Het Hof heeft in dit verband gewezen op onder meer punt 31 van het arrest Thomson. Ook heeft het Hof gewezen op punt 39 van het arrest Thomson waaruit volgt dat het criterium van de toegevoegde waarde aanvaardbaar is als duidelijk en objectief criterium. Gebruikmaking van dit criterium voor het bepalen van de niet-preferentiële oorsprong van fietsen impliceert geenszins dat dit criterium op zich en in het algemeen strikter is dan de algemene criteria van artikel 24 van Pro het CDW. Evenmin brengt het gebruik van dit criterium met zich dat deze producten noodzakelijkerwijs in een ongunstiger situatie worden geplaatst dan producten waarop de algemene criteria van artikel 24 van Pro het CDW zijn toegepast.
Ook het criterium van tariefpostverspringing, dat eveneens in die lijstregels is opgenomen, verleent volgens het Hof in dit geval geen oorsprong Cambodja omdat de meeste onderdelen (ook in waarde) vallen onder post 8714 van de GN als “delen en toebehoren van de voertuigen bedoeld bij de posten 8711 tot en met 8713”. Deze post is uitgezonderd van het criterium van tariefpostverspringing wanneer het de assemblage van rijwielen van post 8712 van de GN betreft.
Voor het vaststellen van de oorsprong aan de hand van deze residuele bepaling geldt ook dat deze rechtens niet-bindende bepaling bijdraagt aan de vaststelling van de niet-preferentiële oorsprong van goederen, maar dat zij de draagwijdte van artikel 24 van Pro het CDW niet mag wijzigen. Naar het oordeel van het Hof is aan deze voorwaarde voldaan, omdat de residuele regel slechts wordt toegepast nadat het niet mogelijk is gebleken de oorsprong vast te stellen aan de hand van de aard van assemblagehandelingen en ook niet aan de hand van de daarmee toegevoegde waarde. Deze omstandigheid noopt tot het toepassen van een andere methode voor het bepalen van de niet-preferentiële oorsprong.
Volgens het Hof volgt uit het hiervoor in 2.7 bedoelde overzicht dat het merendeel van de waarde van de samenstellende onderdelen wordt vertegenwoordigd door onderdelen met de oorsprong China, zodat ook de fietsen de niet-preferentiële oorsprong China hebben.
4.Beoordeling van het middel
Het middel wijst erop dat met betrekking tot delen van de fietsen ook in Sri Lanka fabricagehandelingen hebben plaatsgevonden, waaronder, zo stelt het middel, de vervaardiging van de frames. Een alsnog door het Hof te verrichten onderzoek als hiervoor bedoeld zou volgens het middel ertoe moeten leiden dat de fietsen op grond van artikel 24 van Pro het CDW van (economische) oorsprong uit Sri Lanka zijn, in elk geval niet van oorsprong uit China.
Belanghebbende heeft zowel in beroep als in hoger beroep bestreden dat de Inspecteur in dat bewijs is geslaagd. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de in het rapport van OLAF vermelde onderzoeksresultaten over de oorsprong en de waarde van de vanuit andere landen in Cambodja ingevoerde onderdelen en materialen (zie hiervoor in 2.3 en 2.5) niet kunnen staven dat de fietsen van niet-preferentiële oorsprong uit China zijn.
Indien dit onderzoek oplevert dat binnen het productieproces van goederen het beslissende en belangrijkste stadium kan worden aangewezen, kan het land waarin dat beslissende en belangrijkste stadium van het productieproces plaatsvindt, worden aangewezen als het land waarin de laatste ingrijpende verwerking of bewerking van de betrokken goederen heeft plaatsgevonden, die aan de desbetreffende goederen de niet-preferentiële oorsprong verleent. Niet mag dus worden uitgesloten dat een van de andere landen dan het laatste land waarin een deel van de productie heeft plaatsgevonden, moet worden beschouwd als het land waar de laatste ingrijpende verwerking of bewerking van de betrokken goederen heeft plaatsgevonden.