Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:380

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
23/02361
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 lid 1 SrArt. 420bis lid 1 sub b SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf na cassatie in internetoplichting en witwassen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake meervoudige internetoplichting en witwassen. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken, maar in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk.

De verdediging verzocht om deskundigenonderzoek naar handtekeningen en handschriften, wat door het hof werd afgewezen. Tevens werd een bewijsklacht ingediend over de betrouwbaarheid van een wijzigingsformulier van de Kamer van Koophandel, maar het hof achtte het bewijs voldoende en verwierp de klacht.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend voor de strafmaat, met vermindering naar de gebruikelijke maatstaf, en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden, wat een strafvermindering rechtvaardigt.

De Hoge Raad vernietigt daarom het hofarrest alleen voor de duur van de gevangenisstraf, vermindert deze tot negentien maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en verwerpt het beroep voor het overige.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot negentien maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02361
Datum17 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 juni 2023, nummer 20-000859-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat F. van Baarlen bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

2.1
Het eerste cassatiemiddel klaagt over de afwijzing van het (voorwaardelijke) verzoek van de verdediging tot benoeming van een deskundige (op het gebied van handtekeningen- en handschriftvergelijking). Het tweede cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3 en 4.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze negentien maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 maart 2026.